Bisschoppelijke brief van Gerard de Korte (bron)

Op 8 december, een Mariafeest en tevens de datum van de sluiting van het Tweede Vaticaanse Concilie nu 50 jaar geleden, begint in onze Kerk het Jaar van de Barmhartigheid. Het vormt een uitnodiging om het functioneren van onze parochies maar ook ons eigen bestaan kritisch tegen het licht te houden. Hoe barmhartig en mild gaan wij met elkaar om? Zien wij vooral het vreemde en eigenaardige van de ander en leven wij gedachteloos langs het goede heen? Gun ik iemand die flink de fout is ingegaan ook een nieuwe kans? Ben ik werkelijk bereid tot hulp als iemand in nood is?

Kort na zijn benoeming tot bisschop van Rome gaf paus Franciscus een interview dat in een aantal tijdschriften van de Orde van de Jezuïeten is gepubliceerd. De paus noemde zich toen een zondaar die door de Heer geroepen is. Hij verwees naar een schilderij van Caravaggio over de roeping van de tollenaar Matheus. Blijkbaar herkent onze huidige paus zich sterk in Matheus. Als tollenaar, een geminachte collaborateur met de Romeinse bezetter, mag hij weten van vergeving en een nieuwe start. Christus ontmoet hem met barmhartige liefde en roept hem achter zich aan. Paus Franciscus leeft vanuit diezelfde barmhartige liefde van Christus.

Juist ambtsdragers binnen de Kerk worden uitgenodigd om in de spiegel te kijken. Recent citeerde paus Franciscus een uitspraak van de kerkvader Ambrosius: “ Waar barmhartigheid is, is Christus aanwezig; waar rigiditeit heerst, zijn slechts ambtsdragers”. Het is een indringend woord dat allen met een pastorale opdracht binnen onze geloofsgemeenschap serieus moeten overwegen. In dit verband verwijs ik graag naar het rijke boek “Geduld met God” van de Tsjechische priester Tomas Halik. Heel veel mensen, buiten én binnen onze Kerk, zijn als Zacheüs in de boom uit het evangelie. Zij zijn wel nieuwsgierig maar blijven ook liever wat op afstand. Het vraagt om pastorale prudentie en mildheid van onze ambtsdragers om juist met hen in contact te komen.

In deze brief wil ik nader inzoomen op het woord barmhartigheid dat voor veel tijdgenoten waarschijnlijk wat ouderwets en gedateerd overkomt. Wat is barmhartigheid eigenlijk? Misschien kan het Latijnse woord voor barmhartigheid, misericordia, ons verder helpen. Iemand met misericordia heeft een hart (“cor”) voor mensen in ellende (“miseri”) : zondaars, armen, bedroefden, zieken en eenzame mensen. Het Hebreeuwse woord voor barmhartigheid heeft niet zozeer met het hart als wel met de ingewanden te maken. Iemand is barmhartig die zich tot in zijn buik laat raken door de nood van een ander.

God is een barmhartige God

In de Heilige Schrift horen wij vaak over de barmhartigheid van God. Tot op de dag van vandaag is voor het joodse volk de Exodus, de uittocht uit de slavernij van Egypte en de intocht in het beloofde land, een centraal geloofsthema.

God heeft de ellende van zijn volk in Egypte gezien en heeft zich over zijn volk ontfermt (Exodus 3). Elders in het boek van de Uittocht lezen wij: “ De Heer is een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw” (vgl. Exodus 34,6). Voor Israël is de Heer dragende barmhartigheid die het leven mogelijk maakt.

De geschiedenis van het oude Israël vormt een geschiedenis van trouw en ontrouw. De ondergang van het Noordrijk in de 8ste eeuw en Juda en Jeruzalem in de 6de eeuw voor Christus heeft het joodse volk zelf geïnterpreteerd als straf voor de zonden. Het volk als bruid is de goddelijke bruidegom ontrouw geworden. Maar straf heeft bij God nooit het laatste woord. De profeet Hosea schrijft dat God zich niet in zijn toorn laat gaan (vgl. Hosea 11). Barmhartigheid wint het in God van Zijn gerechtigheid. Uiteindelijk is er vergeving en genadige toewending.

Paus Franciscus noemt in de brief waarin hij het Jaar van de Barmhartigheid aankondigt, Christus het gelaat van Gods barmhartigheid (“misericordiae vultus”). In Hem is de mensenliefde van God (“humanitas dei”)(Titus 3,4) zichtbaar geworden. De grote protestantse theoloog Oepke Noordmans publiceerde in 1946 een prachtige bundel onder de titel “Zondaar en bedelaar”. Noordmans raakt hier twee belangrijke dimensies van Gods barmhartigheid. Niet alleen de morele barmhartigheid maar ook de sociale barmhartigheid. God is in Christus vol barmhartige liefde voor zowel zondaars als armen.

Morele en sociale barmhartigheid

De morele barmhartigheid van God komt, voor zover ik kan zien, het meest indrukwekkend in beeld in de parabel van de verloren zoon. Een zoon eist zijn erfdeel van zijn nog levende vader en verspilt het geld met allerlei zaken die God verboden heeft. Uiteindelijk komt hij letterlijk bij de varkens terecht. Voor joodse oren is dat gegeven nog dramatischer dan voor ons omdat in het jodendom varkens immers onreine dieren zijn. In die situatie komt er een ommekeer. De zoon studeert een schuldbelijdenis in en gaat terug naar zijn vader. In de parabel lezen wij dat de vader al op de uitkijk staat en zijn zoon, nog voor de schuldbelijdenis heeft geklonken, in de armen sluit. Wij stuiten hier op, wat Paulus noemt, de rechtvaardiging van de goddeloze mens. God is zo “dwaas” als de vader in het parabel. Het is de dwaasheid van de barmhartige liefde. God is onuitputtelijke liefde en schenkt een nieuwe start aan zijn zoon, ook al is deze ver van hem weggelopen (vgl. Lucas 15,11 e.v.)

De sociale barmhartigheid wordt subliem in beeld gebracht in de parabel van de barmhartige Samaritaan. Een man wordt door rovers overvallen en ligt half dood aan de kant van de weg. Er komen verschillende mensen van de tempel voorbij, maar zij helpen niet. Dan komt een vreemdeling langs, een Samaritaan die door veel joden met de nodige negatieve gevoelens wordt bekeken. Maar deze gewantrouwde mens komt in actie. Hij wordt een naaste voor de mens die langs de kant van de weg ligt. Hij verzorgt zijn wonden en laat hem in een herberg, op zijn kosten, op krachten komen. De kerkvaders, theologen uit de vroege Kerk, hebben in de gestalte van de Samaritaan Christus zelf ontdekt. Hij komt naar ons toe om iedereen die langs van de levensweg ligt met zijn barmhartige liefde tegemoet te treden. Christus is de weg van de barmhartigheid ten einde toe gegaan. Hij leeft voor zijn Vader en de naaste tot op het kruis. Christus toont zo dat Hij een hart heeft voor mensen in de ellende : de armen, zondaars, aan de dood gewijde mensen (vgl. Lucas 10, 25 e.v.)

Is God barmhartig voor allen?

Wij zijn allen mensen van de dag. Niemand van ons heeft hier op aarde het eeuwig leven. Vroeg of laat zal de dood het leven wegroven. Tegen die achtergrond kunnen wij ons afvragen wat wij mogen hopen. Zijn wij als raketten die opbranden in het heelal of mogen wij rekenen op een thuiskomst? In de loop van de kerkgeschiedenis is daar soms zuinig soms royaal over gesproken. Niet de geringste theologen, ik noem Augustinus en Thomas van Aquino, zaten aan de zuinige kant indachtig het Schriftwoord dat “velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren”. In de vroege Kerk heeft er ook een ander geluid geklonken. De theoloog Origenes was zo vervuld van Gods liefde dat hij zich niet kon voorstellen dat er iemand verloren zou kunnen gaan. De Kerk heeft deze visie echter, op basis van het Schriftgetuigenis, afgewezen. Er staan in de Heilige Schrift te veel passages waar de mogelijkheid van een definitief verloren gaan open wordt gehouden.

In onze dagen leeft er in onze Kerk echter breed een heilsoptimisme. Gods heilswil sluit de menselijke vrijheid niet uit maar in. Gods hand is en blijft uitgestrekt naar iedereen. Wie deze hand aanneemt weet God alleen. Niet voor niets bidden wij in een van onze Eucharistische gebeden voor hen “ waarvan de gelovige gezindheid alleen door U was gekend ” (vgl. canon 4). Gods barmhartigheid houdt het primaat. Christus is immers gestorven voor alle mensen. God is trouw en het kruis en de opstanding van Christus mag gelden als een bron van hoop voor ons allen. Anders gezegd: God neemt onze verantwoordelijkheid serieus maar ik hoop dat Hij zijn liefde nog meer serieus neemt.

Cultuur van barmhartigheid

Gods barmhartigheid vraagt om een menselijk antwoord, om een cultuur van barmhartigheid. Wij kunnen daarbij minstens drie dimensies onderscheiden: persoonlijk, kerkelijk en maatschappelijk. In ons persoonlijk leven zijn wij geroepen tot liefde tot God en tot naastenliefde. Maar wij weten dat er in relaties steeds weer breuken ontstaan. Mensen beledigen elkaar en doen elkaar pijn. Het evangelie roept ons dan op tot vergeving. De Schrift suggereert zelfs dat wij onze eredienst moeten opschorten als er in onze omgang met onze medemensen breuken zijn ontstaan (vgl. Matheus 5,24). Vergeving kan altijd eenzijdig. Voor verzoening zijn beide partijen nodig die in een conflict betrokken zijn. Christus vraagt van ons niet alleen barmhartige liefde voor onze dierbaren maar ook voor onze vijanden. Wij beseffen dat die liefde alleen in kracht van Gods Geest, en dan vaak nog met vallen en opstaan, te realiseren valt.

Barmhartige geloofsgemeenschap

In een van onze prefaties (canon 12 d) wordt de Kerk spiegel van Gods vriendelijkheid genoemd. In onze dagen constateren wij een crisis rond de Kerk. Veel tijdgenoten zijn door een hogere scholing en welvaart individualisten geworden. Dat individualisme werkt ook door in de houding ten opzichte van de Kerk. Veel mensen geloven wel maar op een individualistische wijze en denken de geloofsgemeenschap niet nodig te hebben. Daarbij komt dat de Kerk lijdt onder een negatieve beeldvorming. De Kerk wordt door niet weinigen ervaren als een instituut dat onvrij maakt. Velen denken dat je in de Kerk van alles moet en niets mag.

Als mensen van de Kerk moeten wij niet direct in de verdediging schieten. De kritiek op onze geloofsgemeenschap nodigt ons uit tot een kritisch zelfonderzoek. Leven wij de waarheid werkelijk in liefde? Zijn wij werkelijk zorgzaam en dienstbaar voor elkaar? Een christelijke gemeenschap zal mensen niet beknotten maar juist bevorderen dat zij kunnen uitgroeien tot vrije kinderen van God (vgl. Romeinen 8,21).

De Eucharistie kunnen wij zien als het sacrament van Gods barmhartige liefde bij uitstek. Steeds opnieuw wordt immers de schenkende liefde van Christus in de Eucharistie geactualiseerd en present gesteld. Paus Franciscus heeft rond de communie woorden gesproken die ons te denken moeten geven. Volgens hem is de communie geen beloning voor een heilig leven maar een geneesmiddel tot genezing van gewonde mensen. De kerkelijke barmhartigheid wordt ook zichtbaar in het sacrament van boete en verzoening ofwel de biecht. Om velerlei redenen is dit sacrament in ons land een bijna vergeten sacrament geworden. Tegelijkertijd hoor ik dat in sommige parochies juist jonge mensen dit sacrament opnieuw ontdekken. Ik hoop dat het Jaar van de Barmhartigheid een bijdrage zal leveren aan een verdere herontdekking van dit sacrament van Gods barmhartige liefde voor mensen die falen.

Kerkelijke barmhartigheid wordt natuurlijk ook zichtbaar in allerlei vormen van caritas. Overal waar christenen zieken en gevangenen bezoeken, mensen met honger en dorst helpen, de naakten kleden en vreemdelingen opnemen worden de “werken van barmhartigheid” zichtbaar gemaakt (vgl. Matheus 25,31 e.v.).

Barmhartige samenleving

Katholieken hebben na de Tweede Wereldoorlog meegewerkt aan de opbouw van een solide verzorgingsstaat. Na de crisisjaren van de jaren 30 en de verschrikkingen van de oorlog leefde breed binnen ons volk het verlangen naar de realisatie van bestaanszekerheid. Het katholiek sociaal denken, met als kernnoties menselijke waardigheid, solidariteit, algemeen welzijn en subsidiariteit, heeft velen binnen onze Kerk geïnspireerd om enthousiast aan de slag te gaan. De Kerk is immers niet van de wereld maar wel voor de wereld.

In onze dagen wordt veel gesproken over de ombouw van de verzorgingsstaat naar een participatiestaat. Het is natuurlijk belangrijk dat mensen optimaal worden gestimuleerd om een bijdrage te leveren aan de opbouw van onze samenleving. Maar tegelijkertijd zal de overheid bijzondere aandacht moeten houden voor de noden van de onderkant van de samenleving. Niet voor niets wordt de overheid in het christelijk sociaal denken een “ schild voor de zwakken” genoemd.

In juni publiceerde paus Franciscus zijn encycliek Laudato Si. De paus vraagt daarin aandacht voor onze aarde als ons gemeenschappelijk huis. Katholieken wordt gevraagd samen te werken met andere christenen, andersgelovigen en alle andere “ mensen van goede wil”. De paus roept ons op onze religieuze en ethische krachten te bundelen om een meer rechtvaardige en duurzame wereld te realiseren. Met een verwijzing naar het beroemde Zonnelied van de heilige Franciscus pleit onze paus voor een nieuwe ecologische spiritualiteit waarbij onze verbondenheid met de Schepper niet alleen leidt tot een milde en barmhartige omgang met onze medemensen maar ook met andere schepselen.

Tot slot

Wij leven allemaal van de onuitputtelijke barmhartige liefde van onze God, zoals zichtbaar geworden in Jezus Christus. Laten wij op onze beurt, in kracht van Gods Geest, die liefde gestalte geven in onze omgang met elkaar, in onze geloofsgemeenschappen en in onze samenleving. Zo kunnen wij een belangrijke bijdrage leveren aan de opbouw van een “ cultuur van barmhartigheid”.