Pope Francis

Het gelaat van de Barmhartigheid (bron)
Afkondiging van het Buitengewone Jubileum van de Barmhartigheid

FRANCISCUS, BISSCHOP VAN ROME, DIENAAR DER DIENAREN GODS, AAN ALLEN DIE DEZE BRIEF ZULLEN LEZEN:
GENADE, BARMHARTIGHEID EN VREDE.

1
Jezus Christus is het gelaat van de barmhartigheid van de Vader. Het mysterie van het christelijk geloof lijkt in dit woord zijn samenvatting te vinden. Het is levend, zichtbaar geworden en heeft zijn hoogtepunt bereikt in Jezus van Nazareth. Nadat de Vader, “die rijk is aan erbarming” (Ef. 2, 4) zijn naam heeft geopenbaard aan Mozes als “een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw” (Ex. 34, 6), heeft Hij niet opgehouden op verschillende wijzen en op zeer veel ogenblikken in de geschiedenis zijn goddelijke natuur te doen kennen. In de “volheid van de tijd” (Gal. 4, 4), toen alles was bepaald volgens zijn heilsplan, zond Hij zijn Zoon, geboren uit de Maagd Maria, om ons definitief zijn liefde te openbaren. Wie Hem ziet, ziet de Vader. Jezus van Nazareth openbaart met zijn woord, met zijn gebaren en met heel zijn persoon de barmhartigheid van God.

2
Voor ons is het nodig voortdurend het mysterie van de barmhartigheid te overwegen. Het is een bron van vreugde, gemoedsrust en vrede. Het is de voorwaarde van ons heil. Barmhartigheid: het is het woord dat het mysterie van de Allerheiligste Drie-eenheid openbaart. Barmhartigheid: het is de uiterste en hoogste daad waarmee God ons tegemoet komt. Barmhartigheid: het is de fundamentele wet die woont in het hart van iedere persoon, wanneer hij met oprechte ogen kijkt naar de broeder en zuster die hij ontmoet op zijn levensweg. Barmhartigheid: het is de weg die God en mens verenigt, omdat zij het hart opent voor de hoop voor altijd bemind te zijn ondanks de beperking door onze zonde.

3
Er zijn ogenblikken waarop wij met nog meer aandrang geroepen worden de blik gericht te houden op de barmhartigheid om zelf metterdaad teken te worden van het handelen van de Vader. Daarom heb ik een Buitengewoon Jubileum van de Barmhartigheid afgekondigd als een gunstige tijd voor de Kerk om het getuigenis van de gelovigen sterker en doeltreffender te maken.

Het Heilig Jaar zal op 8 december 2015 geopend worden, het hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis. Dit liturgische feest wijst op de handelwijze van God vanaf het begin van onze geschiedenis. Na de zonde van Adam en Eva heeft God de mensheid niet alleen willen laten, ten prooi aan het kwaad. Daarom heeft Hij Maria, heilig en vlekkeloos in de liefde, gedacht en gewild, opdat zij de Moeder van de Verlossen van de mens zou worden. Op de ernst van de zonde antwoordt God met de volheid van de vergeving. De barmhartigheid zal steeds groter zijn dan iedere zonde en niemand kan een grens stellen aan de vergevende liefde van God. Op het feest van de Onbevlekte Ontvangenis zal ik de vreugde kennen de Heilige Deur te openen. Bij deze gelegenheid zal het een Deur van de Barmhartigheid zijn, waar ieder die erdoor zal binnentreden, de liefde van God, die troost, vergeeft en hoopt geeft, zal kunnen ervaren.

De zondag daarop, de Derde Zondag van de Advent, zal de Heilige Deur in de kathedraal van Rome, de Basiliek van Sint Jan van Lateranen, worden geopend. Vervolgens zal de Heilige Deur in de andere pauselijke basilieken worden geopend. Ik bepaal dat op dezelfde zondag in iedere particuliere Kerk, in de kathedraal die de moederkerk is voor alle gelovigen, of in de co-kathedraal of in een kerk met een bijzondere betekenis, voor heel het Heilig Jaar een dergelijke Deur van de Barmhartigheid wordt geopend. Naar keuze van de Ordinaris zal deze ook in de heiligdommen kunnen worden geopend, het doel van zoveel pelgrims die op deze heilige plaatsen vaak in hun hart worden geraakt door de genade en de weg van de bekering vinden. Iedere particuliere Kerk zal derhalve direct worden betrokken bij het beleven van dit Heilig Jaar als een buitengewoon moment van genade en geestelijke vernieuwing. Het Jubileum zal daarom in Rome, evenals in de particuliere Kerken, worden gevierd als een zichtbaar teken van de gemeenschap van heel de Kerk.

4
Ik heb de datum van 8 december gekozen, omdat die vol van betekenis is voor de recente geschiedenis van de Kerk. Ik zal namelijk de Heilige Deur openen op de vijftigste verjaardag van de afsluiting van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie. De Kerk behoort die gebeurtenis levend te houden. Voor haar begon een nieuw traject in haar geschiedenis. De Concilievaders kwamen, als een ware ademtocht van de Geest, tot het inzicht dat het nodig was tot de mensen van hun tijd op een begrijpelijkere manier te spreken over God. Nadat de muren die te lang de Kerk in een bevoorrechte burcht hadden opgesloten, omver waren gehaald, was de tijd gekomen om het Evangelie op een nieuwe wijze te verkondigen. Een nieuwe fase in de evangelisatie van altijd. Een nieuwe taak voor alle Christenen om met meer enthousiasme en overtuiging te getuigen van hun geloof. De Kerk voelde de verantwoordelijkheid in de wereld het levende teken te zijn van de liefde van de Vader.

Mij komen ook de betekenisvolle woorden die de heilige Johannes XXIII uitsprak bij de opening van het Concilie om het te volgen pad aan te geven, voor de geest: “Nu geeft de Bruid van Christus er de voorkeur aan het geneesmiddel van de barmhartigheid te gebruiken in plaats van de wapens van de strengheid aan te leggen … Terwijl de katholieke Kerk met dit Oecumenisch Concilie de fakkel van de katholieke waarheid omhoog heft, wil zij zich een zeer liefhebbende moeder van allen betonen. welwillend, geduldig, bewogen door barmhartigheid en goedheid jegens de kinderen die van haar gescheiden zijn”. In deze zelfde lijn liggen ook de woorden van de zalige Paulus VI, die zich bij de afsluiting van het Concilie als volgt uitdrukte: “Wij willen veeleer opmerken hoe de godsdienst van ons Concilie vooral de naastenliefde is geweest … De oude geschiedenis van de Samaritaan is het voorbeeld geweest van de spiritualiteit van het Concilie … Een stroom genegenheid en bewondering heeft zich opnieuw uitgestort vanuit het Concilie over de moderne menselijke wereld. Dwalingen zijn er afgekeurd, ja; omdat de naastenliefde zulks niet minder dan de waarheid vereist; maar voor de mensen is er alleen maar uitnodiging, respect en liefde. In plaats van deprimerende diagnoses zijn er van het Concilie bemoedigende remedies, in plaats van rampzalige voorspellingen boodschappen van vertrouwen uitgegaan naar de tegenwoordige wereld: niet alleen zijn haar waarden gerespecteerd, maar ook gehonoreerd, haar inspanningen ondersteund, haar aspiraties gelouterd en gezegend … Wij zullen nog iets anders naar voren moeten brengen: heel deze leerstellige rijkdom is maar op één doel gericht: de mens dienen. De mens, zeggen wij, in iedere levensomstandigheid, in al zijn zwakheid, in al zijn nood”.

Met deze gevoelens van dankbaarheid voor wat de Kerk heeft gekregen, en van verantwoordelijkheid voor de taak die ons wacht, zullen wij door de Heilige Deur gaan in het volle vertrouwen dat wij worden begeleid door de kracht van de Verrezen Heer, die onze pelgrimstocht blijft ondersteunen. Moge de Heilige Geest, die de stappen van de gelovigen leidt om mee te werken aan het door Christus tot stand gebracht heilswerk een gids en steun zijn van het Volk van God om het te helpen het gelaat van de barmhartigheid te aanschouwen.

5
Het Jubeljaar zal worden afgesloten op 20 november 2016, het liturgische hoogfeest van Christus, Koning van het Heelal. Als wij op die dag de Heilige Deur sluiten, zullen wij vóór alles gevoelens hebben van dankbaarheid en dank jegens de Allerheiligste Drie-eenheid, dat Zij ons deze bijzondere tijd van genade heeft geschonken. Wij zullen het leven van de Kerk, heel de mensheid en de immense kosmos toevertrouwen aan de heerschappij van Christus, opdat Hij zijn barmhartigheid als de morgendauw uitstort voor een vruchtbare geschiedenis, die opgebouwd zal moeten worden met de inzet van allen in de nabije toekomst. Hoezeer wens ik dat de komende jaren doordrenkt zijn van barmhartigheid om iedereen tegemoet te gaan en de goedheid en tederheid van God te brengen! Moge allen, zij die geloven en zij die veraf zijn, de balsem van de barmhartigheid bereiken als teken van het Rijk van God, dat al midden onder ons aanwezig is.

6
“Het is God eigen barmhartigheid te gebruiken en vooral hierin toont zich zijn almacht”. De woorden van de heilige Thomas van Aquino laten zien hoezeer de goddelijke barmhartigheid in het geheel niet een teken van zwakheid is, maar veeleer de hoedanigheid van de almacht van God. Daarom laat de liturgie in een van de oudste collecta bidden met de woorden: “God, Gij toont uw grootheid vooral als Gij ons genadig zijt en barmhartigheid bewijst”. God zal voor altijd in de geschiedenis van de mensheid zijn als Degene die aanwezig is, nabij, voorzienig, heilig en barmhartig.

“Geduldig en barmhartig” is de dubbele term die vaak terugkeert in het Oude Testament, om de natuur van God te beschrijven. Zijn barmhartig-zijn vindt een concrete bevestiging in zeer veel daden in de heilsgeschiedenis waar zijn goedheid prevaleert boven straf en vernietiging. De Psalmen laten op een bijzondere wijze deze grootheid van het goddelijk handelen naar voren komen: “Hij is het die u uw schulden vergeeft, die u geneest van uw kwalen, Hij is het die u van de ondergang redt, die u omringt met zijn gunst en erbarmen” (Ps. 103, 3-4). Nog uitdrukkelijker getuigt een andere psalm van de concrete tekenen van de barmhartigheid: “Gevangenen geeft Hij de vrijheid. De ogen van de blinden opent de Heer, gebrokenen richt Hij weer op. De Heer bemint de rechtvaardigen, de Heer behoedt de ontheemden. De Heer geeft wees en weduwe steun, maar zondaars laat Hij verdwalen” (Ps. 146, 7-9). En ten slotte volgen hier andere uitdrukkingen van de psalmist: “Gebroken harten geneest Hij weer, Hij heelt alle bloedende wonden … De Heer verheft de vernederden, maar zondaars werpt Hij ter aarde” (Ps. 147, 3.6). Kortom, de barmhartigheid van God is niet een abstract idee, maar een concrete werkelijkheid waarmee Hij zijn liefde openbaart als die van een vader en een moeder die vanuit het diepste van hun wezen bewogen raken om hun kind. Het is waarlijk op zijn plaats te zeggen dat het een liefde is die het diepste innerlijk van de persoon betreft. Zij komt vanuit het binnenste als een diep, natuurlijk gevoel, zij bestaat uit tederheid en medelijden, toegevendheid en vergeving.

7
“Eeuwig is zijn barmhartigheid”: het is het refrein dat terugkeert bij ieder vers van psalm 136, terwijl men de geschiedenis van de openbaring van God vertelt. Krachtens de barmhartigheid zijn alle gebeurtenissen in het Oude Testament vol van een diepe heilzame waarde. De barmhartigheid maakt de geschiedenis van God met Israël tot een heilsgeschiedenis. Voortdurend herhalen: “Eeuwig is zijn barmhartigheid”, zoals de psalm doet, lijkt de cirkel van ruimte en tijd te willen doorbreken om alles te voegen in het eeuwig mysterie van de liefde. Het is alsof men wilde zeggen dat de mens niet alleen in de geschiedenis, maar voor altijd onder de barmhartige blik van de Vader zal zijn. Het is geen toeval dat het volk van Israël deze psalm, de “Grote hallel”, zoals hij wordt genoemd, heeft willen invoegen in de belangrijkste liturgische feesten.

Vóór zijn lijden heeft Jezus met deze psalm van de barmhartigheid gebeden. Hiervan getuigt de evangelist Matteüs, wanneer hij zegt dat Jezus, “nadat zij de lofzang gezongen hadden” (Mt. 26, 30), met zijn leerlingen naar buiten gingen naar de Olijfberg. Terwijl Hij de Eucharistie instelde als eeuwige herinnering aan Hem en zijn Pasen, plaatste Hij symbolisch deze hoogste daad van de openbaring in het licht van de barmhartigheid. In hetzelfde perspectief van de barmhartigheid beleefde Jezus zijn lijden en dood, zich bewust van het grote mysterie van liefde dat zich zou voltrekken op het kruis. Weten dat Jezus zelf heeft gebeden met deze psalm, maakt hem nog belangrijker voor ons Christenen en verplicht ons het refrein ervan op te nemen in ons dagelijks gebed van lofprijzing: “Eeuwig is zijn barmhartigheid”.

8
Met de blik gericht op Jezus en zijn barmhartig gelaat, kunnen wij de liefde van de Allerheiligste Drie-eenheid begrijpen. De zending die Jezus van de Vader heeft gekregen, is het mysterie te openbaren van de goddelijke liefde in haar volheid. “God is liefde” (1 Joh. 4, 8.16), zegt de evangelist Johannes voor de eerste en enige keer in heel de Heilige Schrift. Deze liefde wordt intussen zichtbaar en tastbaar gemaakt in heel het leven van Jezus. Zijn persoon is niets anders dan liefde, een liefde die zich geeft om niet. Zijn relaties met de mensen die Hem benaderen, laten iets unieks en onherhaalbaars zien. De tekenen die Hij doet, vooral ten opzichte van zondaars, van arme, buitengesloten, zieke en lijdende personen, staan in het teken van de liefde. Alles in Hem spreekt van barmhartigheid. Niets in Hem is zonder medelijden.

Jezus voelt jegens de menigte mensen die Hem volgden, vanuit het diepst van zijn hart een sterk medelijden voor hen, wanneer Hij ziet dat ze moe en uitgeput zijn. Krachtens deze medelijdende liefde genas Hij de zieken die bij Hem werden gebracht en met weinig broden en vissen stilde Hij de honger van grote menigten. Wat Jezus in alle omstandigheden bewoog, was niets anders dan de barmhartigheid waarmee Hij in het hart las van zijn gesprekspartners en antwoordde op hun meest werkelijke verlangen. Toen Hij de weduwe van Naïm, die haar zoon ten grave droeg, ontmoette, voelde Hij diep medelijden met dat immense verdriet van de bedroefde moeder en gaf haar haar zoon terug door hem uit de dood op te wekken. Na de bezetene van Gerasa te hebben bevrijd vertrouwt Hij hem deze zending toe: “Ga naar huis, naar de uwen en vertel hun alles wat de Heer aan u gedaan heeft en hoe Hij u barmhartigheid heeft bewezen” (Mc. 5, 19). Ook de roeping van Matteüs staat in het perspectief van de barmhartigheid. Toen Jezus aan het tolhuis voorbijkwam, richten zijn ogen zich op die van Matteüs. Het was een blik vol barmhartigheid, die de zonden van die man vergaf, en de weerstand van de andere leerlingen overwinnend, koos Hij hem, de zondaar en de tollenaar, om een van de Twaalf te worden. De heilige Beda Venerabilis heeft in zijn commentaar op deze scène uit het Evangelie geschreven dat Jezus met barmhartige liefde Matteüs aankeek en hem koos: miserando atque eligendo. Deze uitdrukking heeft altijd indruk op mij gemaakt, en wel zozeer dat ik haar tot mijn wapenspreuk heb gemaakt.

9
In de parabels die gewijd zijn aan de barmhartigheid, openbaart Jezus de natuur van God als die van een Vader die zich nooit gewonnen geeft, totdat Hij de zonde heeft opgeheven en de afwijzing heeft overwonnen met medelijden en barmhartigheid. Wij kennen deze parabels, drie met name: die van het schaap dat verloren was, en het verloren muntstuk en die van de vader en zijn twee zoons. In deze parabels wordt God altijd voorgesteld als vol van vreugde, vooral wanneer Hij vergeeft. Hierin vinden wij de kern van het Evangelie en van ons geloof, omdat de barmhartigheid wordt voorgesteld als de kracht die alles overwint, die het hart met liefde vervult en troost met de vergeving.

Uit een andere parabel halen wij bovendien een onderricht voor onze christelijke levensstijl. Uitgedaagd door de vraag van Petrus hoe vaak men moest vergeven, antwoordt Jezus: “Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal” (Mt. 18, 22), en Hij vertelde de parabel van de “meedogenloze dienaar”. Deze, door zijn heer geroepen om een grote som terug te betalen, smeekt hem op zijn knieën en de heer schenkt hem zijn schuld kwijt. Maar onmiddellijk daarna ontmoet hij een andere dienaar zoals hij, die hem een paar cent schuldig is en hem op de knieën smeekt medelijden te hebben, maar hij weigert en laat hem gevangen zetten. Dan ontsteekt de heer, wanneer hij dit te weten is gekomen, in grote toorn en na die dienaar weer te hebben geroepen zegt hij tegen hem: “Had jij dan ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ik met jou medelijden heb gehad?” (Mt. 18, 33). En Jezus sloot af: “Zo zal ook mijn hemelse Vader met ieder van u handelen die niet zijn broeder van harte vergiffenis schenkt” (Mt. 18, 35).

De parabel bevat een diep onderricht voor ieder van ons. Jezus zegt dat medelijden niet alleen het handelen van de Vader is, maar het criterium wordt om te begrijpen wie zijn ware kinderen zijn. Kortom, wij zijn geroepen te leven van barmhartigheid, omdat ons als eersten barmhartigheid is bewezen. Het vergeven van beledigingen wordt de duidelijkste uitdrukking van de barmhartige liefde en is voor ons Christenen een imperatief waarvan wij niet mogen afzien. Hoe moeilijk lijkt het zo vaak om te vergeven! En toch, de vergeving is het instrument dat in onze broze handen is gelegd om de vrede van het hart te bereiken. Wrok, woede, geweld en wraak laten varen is een noodzakelijke voorwaarde om gelukkig te leven. Laten wij derhalve de aansporing van de apostel aanvaarden: “De zon mag over uw toorn niet ondergaan” (Ef. 4, 26). En luisteren wij vooral naar het woord van Jezus, die de barmhartigheid heeft gesteld als een levensideaal en als een criterium van geloofwaardigheid voor ons geloof: “Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden” (Mt. 5, 7), is de zaligspreking waardoor wij ons met een bijzondere inzet moeten laten inspireren in dit Heilig Jaar.

Zoals men kan zien, is barmhartigheid in de Heilige Schrift het sleutelwoord om Gods handelen jegens ons aan te geven. Hij beperkt zich er niet toe zijn liefde te bevestigen, maar maakt haar zichtbaar en tastbaar. De liefde zou overigens nooit een abstract woord kunnen zijn. Van nature is zij concreet leven: bedoelingen, houdingen, gedragingen die in het dagelijks handelen werkelijkheid worden. De barmhartigheid van God is zijn verantwoordelijkheid voor ons. Hij voelt zich verantwoordelijk, dat wil zeggen Hij wenst ons welzijn en wil ons gelukkig zien, vol vreugde en onbezorgd. Op dezelfde golflengte moet de barmhartige liefde van de Christenen afstemmen. Zoals de Vader liefheeft, zo hebben de kinderen lief. Zo barmhartig als Hij is, zo zijn wij geroepen barmhartig ten opzichte van elkaar te zijn.

10
De draagbalk die het leven van de Kerk schraagt, is de barmhartigheid. Alles in haar pastoraal handelen zou moeten zijn omgeven door de tederheid waarmee zij zich richt tot de gelovigen: niets van haar verkondiging en haar getuigenis naar de wereld toe mag zonder barmhartigheid zijn. De geloofwaardigheid van de Kerk gaat langs de weg van de barmhartige en medelijdende liefde. De Kerk “bespeurt een onuitputtelijk verlangen barmhartigheid aan te bieden”. Misschien hebben wij zo lang vergeten op de weg van de barmhartigheid te wijzen en deze te bewandelen. Enerzijds heeft de verleiding om altijd en alleen maar de gerechtigheid te pretenderen, doen vergeten dat dit de eerste noodzakelijke en onmisbare stap is, maar de Kerk moet verder gaan om een hoger en belangrijker doel te bereiken. Anderzijds is het triest te moeten zien hoe de ervaring van de vergeving in onze cultuur steeds meer afneemt. Zelfs het woord zelf lijkt op sommige ogenblikken te verdwijnen. Zonder het getuigenis van de vergeving blijft er echter alleen maar een onvruchtbaar en steriel leven over, alsof men leefde in een verlaten woestijn. Voor de Kerk is opnieuw de tijd aangebroken om de taak op zich te nemen van de vreugdevolle verkondiging van de vergeving. Het is tijd voor een terugkeer naar het wezenlijke, om de zwakheden en moeilijkheden van onze broeders en zusters op ons te nemen. Vergeving is een kracht die tot nieuw leven opwekt, en de moed ingeeft om met hoop naar de toekomst te kijken.

11
Wij mogen het grote onderricht niet vergeten dat de heilige Johannes Paulus II heeft gegeven met zijn tweede encycliek Dives in Misericordia, die toentertijd onverwachts kwam en velen verraste vanwege het thema dat werd aangeroerd. Twee uitdrukkingen wil ik in het bijzonder in herinnering brengen. Vóór alles bracht de heilige paus de vergetelheid naar voren van het thema van de barmhartigheid in de cultuur van onze dagen: “De hedendaagse mentaliteit, meer dan die van de mensen van vroeger, schijnt zich tegen de barmhartigheid van God te verzetten en probeert ook de gedachte aan barmhartigheid uit het leven te bannen en in het hart van de mensen uit te roeien. Het woord en het begrip barmhartigheid schijnen de mens te benauwen, die dankzij de geweldige en ongekende vooruitgang van de wetenschap en de techniek veel meer dan vroeger in de geschiedenis baas over de wereld is geworden en de aarde onderworpen heeft en nu beheerst. Deze beheersing van de aarde, die soms slechts eenzijdig en oppervlakkig begrepen wordt, schijnt voor barmhartigheid geen ruimte te laten … Daarom zoeken, ook in de situatie van de Kerk en de wereld van vandaag, veel mensen en groepen die door een levende geloofszin geleid worden, als het ware spontaan hun toevlucht tot de barmhartigheid van God.”

Bovendien motiveerde de heilige Johannes Paulus II de dringende noodzaak om de barmhartigheid in de hedendaagse wereld te verkondigen en ervan te getuigen als volgt: “Hiertoe word ik gedwongen door de liefde voor de mens en voor alles wat menselijk is en wat, naar de mening van de meeste mensen van onze tijd, aan een geweldig gevaar wordt blootgesteld. Het mysterie van Christus … verplicht mij ook de barmhartigheid te verkondigen als de medelijdende liefde van God die in dit mysterie belicht wordt. Op dezelfde wijze nodigt dit mysterie mij uit mij tot deze barmhartigheid te wenden en ze in dit moeilijke historische en beslissende uur van de Kerk en de wereld af te smeken.” Dit onderricht van hem is meer dan ooit actueel en verdient het in dit Heilig Jaar weer te worden hernomen. Laten wij opnieuw aan zijn woorden gevolg geven: “De Kerk leeft echt, als zij de barmhartigheid belijdt en verkondigt – de hoogst wonderbaarlijke eigenschap van de Schepper en Verlosser – en als zij de mensen voert tot de bronnen van de barmhartigheid van de Verlosser, die zij in haar schoot bewaart en uitdeelt.”

12
De Kerk heeft de zending de barmhartigheid van God te verkondigen, het kloppend hart van het Evangelie, dat door middel daarvan het hart en de geest van iedere persoon moet bereiken. De Bruid van Christus maakt het gedrag van de Zoon van God tot het hare, die allen tegemoet gaat zonder iemand uit te sluiten. In onze tijd, waarin de Kerk zich wijdt aan de nieuwe evangelisatie, moet het thema van de barmhartigheid weer met enthousiasme en vernieuwde pastorale activiteit worden voorgehouden. Voor de Kerk en de geloofwaardigheid van haar verkondiging is het bepalend dat zij in eerste persoon de barmhartigheid beleeft en hiervan getuigenis aflegt. Haar taal en gebaren moeten barmhartigheid overdragen om in het hart van de mensen door te dringen en hen uit te dagen om de weg om tot de Vader terug te keren weer te vinden.

De eerste waarheid van de Kerk is de liefde van Christus, die gaat tot vergeving en zelfgave. De Kerk wordt onder de mensen dienares en middelares van deze liefde. Daarom moet waar de Kerk aanwezig is, de barmhartigheid van de Vader zichtbaar zijn. In onze parochies, gemeenschappen, verenigingen en bewegingen, kortom, overal waar Christenen zijn, moet ieder een oase van barmhartigheid kunnen vinden.

13
Wij willen dit Jubeljaar beleven in het licht van het woord van de Heer: barmhartig als de Vader. De evangelist vermeldt het onderricht van de Heer, die zegt: “Weest barmhartig, zoals uw Vader barmhartig is” (Lc. 6, 36). Het is een levensprogramma dat even veeleisend als rijk aan vreugde en vrede is. De opdracht van Jezus is gericht tot allen die luisteren naar zijn stem. Om tot barmhartigheid in staat te zijn moeten wij dus op de eerste plaats luisteren naar het Woord van God. Dat betekent de waarde van de stilte terugvinden om het Woord dat tot ons wordt gericht, te overdenken. Zo is het mogelijk naar de barmhartigheid van God te kijken en dit te aanvaarden als eigen levensstijl.

14
De pelgrimstocht is een bijzonder teken van het Heilig Jaar, omdat het een icoon is van de tocht die ieder in zijn bestaan aflegt. Het leven is een pelgrimstocht en het menselijk wezen is een viator, een pelgrim die een weg aflegt naar een begeerd doel. Ook om de Heilige Deur in Rome en in ieder andere plaats te bereiken zal ieder naar eigen krachten een pelgrimstocht moeten volbrengen. Dit zal een teken zijn van het feit dat ook de barmhartigheid een doel is om te bereiken en dat het inzet en offer vraagt. Moge de pelgrimstocht derhalve een prikkel tot bekering zijn: wanneer wij door de Heilige Deur gaan, zullen wij ons laten omarmen door de barmhartigheid van God en zullen wij ons ervoor inzetten barmhartig te zijn voor de ander, zoals de Vader dat is voor ons.

De Heer Jezus geeft de fases van de pelgrimstocht aan waardoor het mogelijk is dit doel te bereiken: “Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden; veroordeelt niet, dan zult ge niet veroordeeld worden; spreekt vrij, en ge zult vrijgesproken worden. Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken” (Lc. 6, 37-38). Hij zegt vooral niet te oordelen en niet te veroordelen. Als men zich niet het oordeel van God op de hals wil halen, mag niemand rechter worden van zijn eigen broeder of zuster. De mensen blijven met hun oordeel immers aan de oppervlakte steken, terwijl de Vader naar het binnenste kijkt. Hoeveel kwaad doen woorden, wanneer zij voortkomen uit gevoelens van afgunst en nijd! Kwaad spreken over een broeder of zuster in zijn of haar afwezigheid staat gelijk aan het in een kwaad daglicht stellen, aan zijn of haar goede naam in gevaar brengen en hem of haar een speelbal van geroddel laten zijn. Niet oordelen en niet veroordelen betekent in positieve zin alles wat er aan goeds is in een persoon, weten te zien en niet toestaan dat hij te lijden heeft door ons gedeeltelijk oordeel en onze pretentie alles te weten. Maar dat is nog niet voldoende om de barmhartigheid tot uitdrukking te brengen. Jezus vraagt ook te vergeven en te geven. Instrument te zijn van vergeving, omdat wij die als eersten van God hebben gekregen. Edelmoedig zijn ten opzichte van allen, wetend dat ook God zijn welwillendheid zeer grootmoedig aan ons schenkt.

Barmhartig zoals de Vader is dus het “motto” van het Heilig Jaar. In de barmhartigheid hebben wij het bewijs van hoe God liefheeft. Hij geeft zichzelf geheel, voor altijd, om niet en zonder iets daarvoor terug te vragen. Hij komt ons te hulp, wanneer wij Hem aanroepen. Het is mooi dat het dagelijks gebed van de Kerk begint met de woorden: “Mijn God, kom mij te hulp, Heer, haast U mij te helpen” (Ps. 70, 2). De hulp die wij inroepen, is al de eerste stap van de barmhartigheid van God jegens ons. Hij komt ons redden uit de toestand van zwakte waarin wij leven. En zijn hulp bestaat erin ons zijn aanwezigheid en nabijheid te doen begrijpen. Dag voor dag kunnen ook wij, geraakt door zijn medelijden, medelijden betonen jegens allen.

15
In dit Heilig Jaar zullen wij de ervaring kunnen opdoen ons hart te openen voor allen die leven in de meest hopeloze randgebieden van het bestaan die de moderne wereld op dramatische wijze doet ontstaan. Hoeveel situaties van onbestendigheid zijn er aanwezig in de wereld van vandaag! Hoeveel wonden zijn er geslagen in het vlees van zovelen die geen stem hebben, omdat hun kreet verzwakt en verstomd is door de onverschilligheid van de rijke volken. In dit Jubeljaar zal de Kerk nog meer geroepen zijn deze wonden te verzorgen, ze te verzachten met de olie van de troost, ze te verbinden met de barmhartigheid en te genezen met de verschuldigde solidariteit en aandacht. Laten wij niet vervallen in onverschilligheid die vernedert, in gewenning die de geest verdooft en verhindert het nieuwe te ontdekken, in cynisme dat verwoest. Laten wij onze ogen openen om te kijken naar de ellende van de wereld, de wonden van zoveel broeders en zusters die van hun waardigheid zijn beroofd, en laten wij ons uitgedaagd voelen om naar hun kreet om hulp te luisteren. Laten onze handen hun handen vastpakken en laten wij hen naar ons toe trekken, opdat zij de warmte van onze aanwezigheid, van vriendschap en broederschap voelen. Moge hun kreet de onze worden en mogen wij de barrière van onverschilligheid kunnen doorbreken die dikwijls soeverein heerst om hypocrisie en egoïsme te verbergen.

Het is mijn vurig verlangen dat het christenvolk gedurende het Jubileum nadenkt over de werken van lichamelijke en geestelijke barmhartigheid. Het zal een manier zijn om ons geweten wakker te schudden, dat vaak ingeslapen is ten overstaan van het drama van de armoede, en om steeds meer door te dringen tot de kern van het Evangelie, waar de armen de bevoorrechten zijn van de goddelijke barmhartigheid. De prediking van Jezus houdt ons deze werken van barmhartigheid voor, opdat wij kunnen begrijpen of wij wel of niet leven als zijn leerlingen. Laten wij opnieuw de werken van lichamelijke barmhartigheid ontdekken: te eten geven aan de hongerigen, te drinken geven aan de dorstigen, de naakten kleden, de vreemdelingen opnemen, de zieken bijstaan, de gevangenen bezoeken, de doden begraven. En laten wij niet de werken van geestelijke barmhartigheid vergeten: de twijfelenden raad geven, de onwetenden onderrichten, de zondaars vermanen, de bedroefden troosten, beledigingen vergeven, lastige personen geduldig verdragen, tot God bidden voor de levenden en de doden.

Wij kunnen niet vluchten voor de woorden van de Heer en op grond hiervan zullen wij worden geoordeeld: als wij te eten hebben gegeven aan wie honger heeft, en te drinken aan wie dorst heeft. Als wij de vreemdeling hebben opgenomen en gekleed wie naakt is. Als wij tijd hebben gehad om bij wie ziek en in de gevangenis is, te zijn. Ons zal eveneens worden gevraagd, of wij hulp hebben geboden om uit de twijfel te komen die doet vervallen in angst en die vaak de bron is van eenzaamheid; of wij in staat zijn geweest de onwetendheid te overwinnen waarin miljoenen personen leven, vooral de kinderen die verstoken zijn van de noodzakelijke hulp om bevrijd te worden uit de armoede; of wij degenen die alleen en bedroefd zijn, nabij zijn geweest; of wij degenen die ons beledigen, hebben vergeven, en iedere vorm van wrok en haat, die leidt tot geweld, hebben afgewezen; of wij geduld hebben gehad naar het voorbeeld van God, die zo geduldig is met ons; ten slotte of wij onze broeders en zusters in ons gebed hebben toevertrouwd aan de Heer. In ieder van deze “kleinsten” is Christus zelf aanwezig. Zijn vlees wordt opnieuw zichtbaar als een lichaam dat is gemarteld, gewond, gegeseld, ondervoed, op de vlucht is … om door ons te worden herkend, aangeraakt en bijgestaan met zorg. Laten wij de woorden niet vergeten van de heilige Johannes van het Kruis: “In de avond van het leven zult u geoordeeld worden overeenkomstig uw liefde.”

16
In het Evangelie van Lucas vinden wij een ander belangrijk aspect om met geloof het Jubileum te beleven. De evangelist vertelt dat Jezus op een sabbat terugkeerde naar Nazareth en, zoals Hij gewoon was te doen, de synagoge binnenging. Zij riepen Hem om uit de Schrift voor te lezen en een commentaar hierop te geven. De passage was die uit de profeet Jesaja waar staat geschreven: “De geest van Jahwe, mijn Heer, rust op mij, want Jahwe heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om de armen het blijde nieuws te brengen, om te verbinden wier harten gebroken is, om aan de gevangenen vrijlating te melden, en aan de geboeiden de terugkeer naar het licht; om een jaar van Jahwe’s genade te melden”(Jes. 61, 1-2). “Een genadejaar”: dit is wat door de Heer wordt afgekondigd en wij moeten willen beleven. Dit Heilig Jaar brengt de rijkdom van de zending van Jezus met zich mee, die weerklinkt in de woorden van de profeet: een woord en gebaar van troost brengen aan de armen, de bevrijding verkondigen aan hen die gevangenen zijn van de nieuwe vormen van slavernij in de moderne samenleving, het zicht teruggeven aan wie niet meer erin slaagt om te zien, omdat hij op zichzelf betrokken is, en de waardigheid herstellen voor allen die ervan zijn beroofd. De prediking van Jezus wordt opnieuw zichtbaar in de antwoorden van geloof, waarvan Christenen overeenkomstig hun roeping dienen te getuigen. Mogen ons de woorden van de Apostel begeleiden: “Als ge barmhartigheid bewijst, doe het met blijmoedigheid.”

17
Moge de Veertigdagentijd van dit Jubeljaar intenser worden beleefd als een bijzonder moment om de barmhartigheid van God te vieren en te ervaren. Hoeveel bladzijden in de Heilige Schrift kunnen worden overwogen in de weken van de Veertigdagentijd om het barmhartige gelaat van de Vader opnieuw te ontdekken! Met de woorden van de profeet Micha kunnen ook wij herhalen: “Gij, Heer, zijt een God die de ongerechtigheid wegneemt en de zonde vergeeft, die niet voor altijd uw toorn laat duren, maar er vreugde in vindt barmhartigheid te bewijzen. Gij, Heer, zult naar ons terugkeren en Gij zult medelijden hebben met uw volk. Gij zult onze schuld onder uw voeten verpletteren en al onze zonden naar de bodem van de zee verwijzen.”

De bladzijden uit de profeet Jesaja zullen meer concreet overwogen kunnen worden in deze tijd van gebed, vasten en naastenliefde: “Is dit niet het vasten zoals Ik het verkies: boosaardige boeien slaken, de strengen van het juk losmaken, de geknechte de vrijheid hergeven, en alle jukken te breken? Is vasten niet dit: uw brood delen met wie honger heeft; arme zwervers opnemen in uw huis; een naakte kleden die gij ziet en u niet onttrekken aan de zorg van uw broeder? Dan breekt uw licht als de dageraad door en groeien uw wonden spoedig dicht; dan gaat uw geluk voor u uit, en sluit de glorie van de Heer uw stoet. Als gij dan roept, geeft de Heer u antwoord, en smeekt gij om hulp, Hij zal zeggen: ‘Hier ben Ik!’ Als gij het juk uit uw midden verwijdert, geen vinger bedreigend meer uitsteekt en geen valse aanklachten indient, de hongerige aanbiedt wat gij voor uzelf verlangt en de onderdrukte met voedsel verzadigt, dan zal uw licht in de duisternis opgaan, uw nacht als de heldere middag zijn. Dan zal de Heer u steeds blijven leiden, in verschroeide oorden uw honger stillen. Hij zal uw krachten sterken en gij zult zijn als een rijk besproeide tuin, als een bron die nooit teleurstelt als men om water komt” (Jes. 58, 6-11).

Het initiatief “24 uur voor de Heer”, dat kan worden gevierd op vrijdag en zaterdag voorafgaand aan de Vierde zondag van de Veertigdagentijd, moet in de bisdommen worden bevorderd. Zeer veel mensen naderen opnieuw het Sacrament van de Verzoening en onder hen veel jongeren, die in deze ervaring vaak de weg weer vinden om terug te keren tot de Heer, om een ogenblik van intens gebed te beleven en de zin van het eigen leven opnieuw te ontdekken. Laten wij opnieuw het sacrament van de verzoening met overtuiging in het middelpunt plaatsen, omdat dit het mogelijk maakt de grootheid van de barmhartigheid werkelijk te ervaren. Voor iedere boeteling zal het een bron zijn van ware innerlijke vrede.

Ik zal nooit moe worden erop aan te dringen dat biechtvaders een waar teken zijn van de barmhartigheid van de Vader. Men wordt niet zomaar biechtvader. Men wordt het, wanneer wij vóór alles zelf als eersten boetelingen worden op zoek naar vergeving. Laten wij nooit vergeten dat biechtvader zijn betekent deelnemen aan de zending zelf van Jezus en een concreet teken zijn van de continuïteit van een goddelijke liefde die vergeeft en redt. Ieder van ons heeft de gave van de Heilige Geest ontvangen voor de vergeving van de zonden, hiervoor zijn wij verantwoordelijk. Niemand van ons is baas over het sacrament, maar een trouwe dienaar van de vergeving van God. Iedere biechtvader zal de gelovigen moeten ontvangen zoals de vader in de parabel van de verloren zoon: een vader die zijn zoon tegemoet snelt, ook al had hij zijn goederen verkwist. Biechtvaders zijn geroepen die berouwvolle zoon die naar huis terugkeert, tegen zich aan te drukken en zijn vreugde dat hij hem heeft teruggevonden, tot uitdrukking te brengen. Zij zullen nooit moe worden ook naar de andere zoon te gaan die buiten is blijven staan en niet in staat is blij te zijn, om hem uit te leggen dat zijn streng oordeel onjuist is en geen zin heeft ten overstaan van de grenzeloze barmhartigheid van de Vader. Zij zullen geen impertinente vragen stellen, maar zoals de vader van de parabel het door de verloren zoon voorbereide verhaal onderbreken, omdat zij in het hart van iedere boeteling het roepen om hulp en het vragen om vergeving zullen weten op te vangen. Kortom, de biechtvaders zijn geroepen om altijd, overal, in iedere situatie en ondanks alles het teken te zijn van het primaatschap van de barmhartigheid.

18
In de Veertigdagentijd van dit Heilig Jaar ben ik van plan de Missionarissen van de Barmhartigheid uit te zenden. Zij zullen een teken zijn van de moederlijke zorg van de Kerk voor het Volk van God, opdat het ten diepste binnentreedt in de rijkdom van dit voor het geloof zo fundamenteel mysterie. Het zullen priesters zijn aan wie ik de bevoegdheid zal geven ook de zonden te vergeven die zijn voorbehouden aan de Apostolische Stoel, opdat de omvang van hun mandaat zichtbaar wordt. Zij zullen vooral een levend teken zijn van hoe de Vader allen ontvangt die op zoek zijn naar zijn vergeving. Het zullen missionarissen zijn van de barmhartigheid, omdat zij bij allen bewerkers zullen worden van een ontmoeting vol menselijkheid, een bron van bevrijding, rijk aan verantwoordelijkheid om de hindernissen te overwinnen en het nieuwe leven van het doopsel te hernemen. Zij zullen zich in hun zending laten leiden door de woorden van de Apostel: “Zo heeft God allen in ongehoorzaamheid opgesloten om allen in te sluiten in zijn ontferming” (Rom. 11, 32). Allen, niemand uitgesloten, zijn immers geroepen de oproep tot barmhartigheid te aanvaarden. Mogen de missionarissen deze oproep beleven, wetend dat zij de blik op Jezus kunnen richten, “een barmhartig en getrouw hogepriester” (Heb. 2, 17).

Ik vraag de broeders in het bisschopsambt deze missionarissen uit te nodigen en te ontvangen, opdat zij vóór alles overtuigende predikers zijn van de barmhartigheid. Laten er in de bisdommen “volksmissies” georganiseerd worden, zodat deze missionarissen verkondigers zijn van de vreugde van de vergeving. Laat hun worden gevraagd het sacrament van de verzoening voor het volk te vieren, opdat de tijd van genade, die in het Jubeljaar wordt gegeven, het zeer veel kinderen die veraf zijn, mogelijk wordt gemaakt de weg naar het vaderhuis terug te vinden. Mogen de herders vooral gedurende de sterke tijd van de Veertigdagentijd zich beijveren de gelovigen opnieuw op te roepen te naderen “tot de troon van Gods genade om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp” (Heb. 4, 16).

19
Moge het woord vergeving tot allen komen en moge de oproep de barmhartigheid te ervaren niemand onverschillig laten. Mijn uitnodiging tot bekering richt zich met nog meer aandrang tot hen die ver verwijderd zijn van de genade van God door hun levensstijl. Ik denk aan het bijzonder aan de mannen en vrouwen die behoren tot een criminele groepering, wat die ook zij. Voor uw eigen welzijn vraag ik u van leven te veranderen. Ik vraag het u in de naam van de Zoon van God, die, ook al bestrijdt Hij de zonde, nooit een zondaar heeft afgewezen. Trap niet in de verschrikkelijke valstrik te denken dat het leven afhangt van geld en dat in vergelijking hiermee alles zonder waarde en waardigheid is. Het is alleen maar een illusie. Wij nemen het geld niet met ons mee naar het hiernamaals. Geld geeft ons niet het ware geluk. Het geweld dat wordt gebruikt om geld dat van het bloed druipt, te vergaren, maakt niet machtig of onsterfelijk. Voor allen komt vroeg of laat het oordeel van God, waaraan niemand kan ontsnappen.

Moge dezelfde uitnodiging ook komen tot de mensen die corruptie begunstigen of medeplichtig hieraan zijn. Deze verdorven plaag van de maatschappij is een zware, ten hemel schreiende zonde, omdat zij het persoonlijke en maatschappelijke leven vanaf de grondvesten ondermijnt. Corruptie verhindert hoopvol te kijken naar de toekomst, omdat de aanmatiging en hebzucht ervan de plannen van de zwakken vernietigt en de armsten verplettert. Het is een kwaad dat zich nestelt in dagelijkse gebaren om zich vervolgens uit te breiden in publieke schandalen. Corruptie is een volharden in de zonde, die God wil vervangen door de illusie van het geld als vorm van macht. Het is een werk van de duisternis, ondersteund door argwaan en intrige. Corruptio optimi pessima – het bederf van het beste is het ergste -, zei de heilige Gregorius de Grote terecht om aan te geven dat niemand zich immuun kan voelen voor deze verleiding. Om haar in het persoonlijke en maatschappelijke leven uit te roeien is er verstand nodig, waakzaamheid, loyaliteit, transparantie samen met de moed om aan te klagen. Als men haar niet openlijk bestrijdt, maakt zij vroeg of laat medeplichtig en verwoest zij het bestaan.

Dit is het gunstige ogenblik om het leven te veranderen! Dit is de tijd om het hart te laten beroeren. Tegenover het bedreven kwaad, ook zware misdaden, is dit het ogenblik om te luisteren naar het leed van de onschuldige personen die beroofd zijn van hun goederen, hun waardigheid, hun genegenheid, het leven zelf. Blijven op de weg van het kwaad is alleen maar een bron van illusie en droefheid. Het ware leven is volstrekt iets anders. God wordt niet moe zijn hand uit te strekken. Hij is altijd bereid te luisteren, en ook ik ben dat, evenals mijn broeders in het bisschops- en priesterambt. Het is voldoende slechts de uitnodiging aan te nemen tot bekering en zich te onderwerpen aan de gerechtigheid, terwijl de Kerk barmhartigheid biedt.

20
Het zal niet zonder nut zijn in deze context te herinneren aan het verband tussen gerechtigheid en barmhartigheid. Het zijn niet twee aan elkaar tegengestelde aspecten, maar twee dimensies van één werkelijkheid die zich geleidelijk ontwikkelt, totdat zij haar hoogtepunt bereikt in de volheid van de liefde. Gerechtigheid is een voor de burgermaatschappij fundamenteel begrip, wanneer men normaal verwijst naar een juridische orde waardoor men de wet toepast. Onder gerechtigheid verstaat men ook dat aan ieder moet worden gegeven wat hem verschuldigd is. In de Bijbel verwijst men vaak naar de goddelijke gerechtigheid en naar God als rechter. Men verstaat hieronder gewoonlijk de integrale naleving van de Wet en het gedrag van iedere goede Israëliet overeenkomstig de door God gegeven geboden. Deze visie heeft er echter niet zelden toe geleid te vervallen in legalisme, omdat men de oorspronkelijke zin mystificeerde en de diepe waarde verduisterde die gerechtigheid heeft. Om het legalistisch perspectief te overwinnen zou men zich moeten herinneren dat in de Heilige Schrift gerechtigheid in wezen wordt verstaan als zich met vertrouwen verlaten op de wil van God.

Van zijn kant spreekt Jezus meermalen in plaats van over de naleving van de wet, over het belang van het geloof. In deze zin moeten wij zijn woorden begrijpen, wanneer Hij aan tafel met Matteüs en andere tollenaars en zondaars, tegen de farizeeën die Hem aanvielen, zegt: “Gaat heen en leert wat het zeggen wil: Ik wil liever barmhartigheid dan offers. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” (Mt. 9, 13). Tegenover het beeld van een gerechtigheid als pure naleving van de wet, die oordeelt en de mensen verdeelt in gerechtigen en zondaars, is Jezus erop uit de grote gave van de barmhartigheid te laten zien, die de zondaars zoekt om hun vergeving en redding te bieden. Men begrijpt waarom Jezus op grond van deze, zo bevrijdende zienswijze van Hem, bron van vernieuwing, door de farizeeën en de wetgeleerden is afgewezen. Dezen legden om trouw te zijn aan de wet alleen maar lasten op de schouders van de mensen, maar deden daarmee de barmhartigheid van de Vader te niet. Het herinneren aan de naleving van de wet mag niet de aandacht in de weg staan voor de noden die de waardigheid van de mensen raken.

De verwijzing van Jezus naar de tekst van de profeet Hosea – “want vroomheid wens ik, geen offergaven” (Hos. 6, 6) – is wat dat betreft, zeer veelbetekenend. Jezus zegt dat voortaan de levensregel van zijn leerlingen die moet zijn welke voorziet in het primaat van de barmhartigheid, zoals Hijzelf daarvan getuigt door de maaltijd te delen met de zondaars. Er wordt nogmaals gewezen op de barmhartigheid als een dimensie die fundamenteel is voor de zending van Jezus. Het is een ware uitdaging ten overstaan van zijn gesprekspartners die blijven stilstaan bij een formeel respecteren van de wet. Jezus gaat echter verder dan de wet; zijn delen met hen die de wet als zondaars beschouwde, doet begrijpen hoever zijn barmhartigheid gaat.

Ook de apostel Paulus heeft een dergelijk traject afgelegd. Voordat hij Christus ontmoette op de weg naar Damascus, was zijn leven gewijd aan het onberispelijk volgen van de gerechtigheid van de wet. De bekering tot Christus bracht hem ertoe zijn zienswijze volkomen te doen omslaan, en wel zo dat hij in de brief aan de Galaten zegt: “Ook wij zijn in Jezus Christus gaan geloven, om gerechtvaardigd te worden door het geloof in Christus en niet door de werken van de wet” (Gal. 2, 16). Zijn begrip van gerechtigheid verandert radicaal. Paulus plaatst nu het geloof op de eerste plaats en niet meer de wet. Niet de naleving van de wet redt, maar het geloof in Jezus Christus, die met zijn dood en verrijzenis het heil brengt met de barmhartigheid, die rechtvaardigt. De gerechtigheid van God wordt nu de bevrijding voor allen die onderdrukt worden door de slavernij van de zonde en al haar gevolgen. De gerechtigheid van God is zijn vergeving.

21
Barmhartigheid is niet tegengesteld aan gerechtigheid, maar drukt het gedrag van God jegens de zondaar uit: Hij geeft hem een verdere mogelijkheid om tot inkeer te komen, zich te bekeren en te geloven. De ervaring van de profeet Hosea komt ons te hulp om ons te laten zien hoe de barmhartigheid de gerechtigheid overtreft. De tijd van deze profeet is een van de meest dramatische in de geschiedenis van het Joodse volk. Het Rijk is de verwoesting nabij; het volk is niet trouw gebleven aan het verbond, het heeft zich verwijderd van God en het geloof van de vaderen verloren. Volgens een menselijke logica is het terecht dat God erover denkt het ontrouwe volk af te wijzen: het heeft zich niet gehouden aan het overeengekomen verdrag en verdient dus de passende straf, dat wil zeggen ballingschap. De woorden van de profeet getuigen hiervan: “Moet hij dan niet terugkeren naar Egypte en zal Assur niet zijn koning worden, nu zij weigeren zich te bekeren?” (Hos. 11, 5). En toch, na deze reactie die zich beroept op de gerechtigheid, wijzigt de profeet radicaal zijn taal en openbaart het ware gelaat van God: Mijn hart slaat om, heel mijn binnenste wordt week. Neen, Ik zal mijn vlammende toorn toch niet koelen, Efraïm niet opnieuw ten gronde richten, want Ik ben God, Ik ben geen mens, Ik ben de Heilige in uw midden. Ik laat mij niet gaan in mijn toorn” (Hos. 11, 8-9). De heilige Augustinus zegt, als het ware de woorden van de profeet becommentariërend: “Het is gemakkelijker dat God meer zijn toorn dan zijn barmhartigheid bedwingt.” Dit is precies zo. De toorn van God duurt een ogenblik, terwijl zijn barmhartigheid tot in eeuwigheid duurt.

Als God bij de gerechtigheid halt zou houden, dan zou Hij ophouden God te zijn, Hij zou zoals alle mensen zijn die een beroep doen op het respect voor de wet. Gerechtigheid alleen is niet voldoende en de ervaring leert dat zich alleen hierop beroepen het gevaar inhoudt haar te verwoesten. Daarom gaat God met barmhartigheid en vergeving verder dan de gerechtigheid. Dat betekent niet de gerechtigheid onderwaarderen of haar overbodig maken, integendeel. Wie fouten maakt, zal daarvoor moeten boeten. Alleen is dit niet het doel, maar het begin van de bekering, omdat men de tederheid van de vergeving ervaart. God wijst de gerechtigheid niet af. Hij past haar in en gaat haar te boven in een hoger gebeuren waar men de liefde ervaart die ten grondslag ligt aan een ware gerechtigheid.

Wij moeten veel aandacht besteden aan wat Paulus schrijft om niet in dezelfde fout te vervallen die de Apostel de Joden van zijn tijd verweet: “Met hun miskenning van de gerechtigheid Gods en hun pogen een eigen gerechtigheid op te richten hebben zij geweigerd zich aan het heil van God te onderwerpen. Want Christus betekent het einde van de wet en gerechtigheid voor ieder die gelooft” (Rom. 10, 3-4). Deze gerechtigheid Gods is de barmhartigheid die aan allen wordt verleend als genade krachtens de dood en verrijzenis van Jezus Christus. Het kruis van Christus is dus Gods oordeel over ons allen en de wereld, omdat het ons de zekerheid van de liefde en het nieuwe leven biedt.

22
Het Jubileum brengt ook de verwijzing naar de aflaat met zich mee. In het Heilig Jaar van de Barmhartigheid verkrijgt deze een bijzonder reliëf. De vergeving van God voor onze zonden kent geen grenzen. In de dood en verrijzenis van Jezus Christus maakt God deze liefde van Hem, die zelfs de zonde van de mensen vernietigt, duidelijk. Zich met God laten verzoenen is mogelijk door het paasmysterie en de bemiddeling van de Kerk. God is dus steeds bereid tot vergeving en wordt nooit moe deze op een steeds nieuwe en onverwachte wijze aan te bieden. Wij ervaren echter allen de zonde. Wij weten dat wij geroepen zijn tot de volmaaktheid, maar voelen sterk de last van de zonde. Terwijl wij de macht van de genade die ons verandert, gewaar worden, ervaren wij ook de kracht van de zonde die ons bepaalt. Ondanks de vergeving dragen wij in ons leven de tegenstellingen die het gevolg zijn van onze zonden. In het Sacrament van de Verzoening vergeeft God de zonden, die werkelijk worden uitgewist; en toch blijft de negatieve indruk die de zonden in onze gedragingen en onze gedachten hebben achtergelaten. De barmhartigheid van God is echter ook sterker dan dit. Zij wordt kwijtschelding van de Vader, die door middel van de Bruid van Christus, de zondaar die vergiffenis heeft gekregen bereikt en hem bevrijdt van iedere rest van het gevolg van de zonde en hem in staat stelt te handelen met naastenliefde, te groeien in de liefde in plaats van weer te vervallen in zonde.

De Kerk beleeft de gemeenschap van de heiligen. In de Eucharistie wordt deze gemeenschap, die een gave van God is, werkelijkheid als een geestelijke eenheid die ons gelovigen met de heiligen en zaligen, wier aantal ontelbaar is, verenigt. Hun heiligheid komt onze broosheid te hulp, en zo is Moeder de Kerk in staat met haar gebed en haar leven tegemoet te komen aan de zwakheid van enkelen met de heiligheid van anderen. De aflaat in het Heilig Jaar beleven betekent naderen tot de barmhartigheid van de Vader in de zekerheid dat zijn vergeving zich uitstrekt over heel het leven van de gelovige. Aflaat is de heiligheid van de Kerk ervaren, die deelneemt aan alle weldaden van de verlossing van Christus, opdat de vergeving zich uitstrekt tot de uiterste gevolgen waartoe de liefde van God komt. Laten wij het Jubeljaar intens vieren en de Vader vragen om de vergeving van de zonden en de verbreiding van zijn barmhartige kwijtschelding.

23
De barmhartigheid heeft een kracht die over de grenzen van de Kerk heen gaat. Zij verbindt ons met het Jodendom en de islam, die haar beschouwen als een van de meest kenmerkende eigenschappen van God. Israël heeft als eerste deze openbaring ontvangen, die in de geschiedenis blijft als het begin van een onmetelijke rijkdom die aan heel de mensheid moet worden aangeboden. Zoals wij hebben gezien, zijn de bladzijden van het Oude Testament doortrokken van barmhartigheid, omdat zij verhalen van de werken die de Heer heeft verricht ten gunste van zijn volk op de moeilijkste ogenblikken van zijn geschiedenis. De islam noemt van zijn kant onder de namen die aan de Schepper worden toegekend, die van Barmhartige en Goedertierene. Deze aanroeping ligt vaak op de lippen van de islamitische gelovigen die zich begeleid en ondersteund voelen door de barmhartigheid in hun dagelijkse zwakheid. Ook zij geloven dat niemand de goddelijke barmhartigheid kan beperken, omdat haar deuren altijd openstaan.

Moge dit Jubeljaar, beleefd in barmhartigheid, de ontmoeting begunstigen met deze godsdiensten en de andere edele religieuze tradities; mogen het ons meer openstellen voor de dialoog om elkaar beter te leren kennen en te begrijpen; moge het iedere vorm van bekrompenheid en verachting elimineren en iedere vorm van geweld en discriminatie verdrijven.

24
Mijn gedachten gaan nu naar de Moeder van Barmhartigheid. Moge de lieflijkheid van haar gelaat ons geleiden in dit Heilig Jaar, opdat wij allen de vreugde van de tederheid van God opnieuw kunnen ontdekken. Niemand heeft zoals Maria de diepte van het mysterie van God, die mens is geworden, gekend. Alles in haar leven krijgt vorm door de aanwezigheid van de barmhartigheid die vlees is geworden. De Moeder van de gekruisigde Verrezene is binnengegaan in het heiligdom van de goddelijke barmhartigheid, omdat zij ten diepste heeft deelgehad aan het mysterie van zijn liefde.

Uitgekozen om de Moeder van de Zoon van God te zijn, is Maria van oudsher voorbereid door de liefde van de Vader om Ark van het Verbond te zijn tussen God en de mensen. Zij heeft in haar hart de goddelijke barmhartigheid bewaard in volmaakte harmonie met haar Zoon Jezus. Haar lofzang op de drempel van het huis van Elisabet was gewijd aan de barmhartigheid die zich uitstrekt “van geslacht tot geslacht” (Lc. 1, 50). Ook wij waren aanwezig in die profetische woorden van de Maagd Maria. Dat zal ons tot troost en steun zijn, terwijl wij door de Heilige Deur zullen gaan om de vruchten van de goddelijke barmhartigheid te ervaren.

Bij het kruis is Maria samen met Johannes, de leerling van de liefde, getuige van de woorden van vergeving die komen van de lippen van Jezus. De hoogste vorm van vergeving die aan hen die Hem hebben gekruisigd, wordt geschonken, laat ons zien hoever de barmhartigheid van God kan gaan. Maria getuigt ervan dat de barmhartigheid van de Zoon van God geen grenzen kent en allen bereikt zonder iemand uit te sluiten. Laten wij tot haar het oude en steeds nieuwe gebed van het Salve Regina richten, dat zij nooit moe wordt haar barmhartige ogen op ons te richten en ons waardig maakt het gelaat van de barmhartigheid, haar Zoon Jezus, te aanschouwen.

Moge ons gebed zich ook uitstrekken tot de zovele heiligen en zaligen, die van de barmhartigheid hun levenszending hebben gemaakt. In het bijzonder gaan mijn gedachten uit naar de grote apostel van de barmhartigheid, de heilige Faustina Kowalska. Moge zij, die werd geroepen binnen te gaan in de diepten van de goddelijke barmhartigheid, voor ons ten beste spreken en voor ons verwerven dat wij steeds leven en wandelen in de vergeving van God en het onwankelbaar vertrouwen in zijn liefde.

25
Een bijzonder Heilig Jaar, dus, om in het leven van elke dag de barmhartigheid te beleven die de Vader ons van oudsher betoont. Mogen wij ons in dit Jubeljaar laten verrassen door God. Hij wordt nooit moe de deur van zijn hart wijd open te zetten om te herhalen dat Hij ons liefheeft en met ons zijn leven wil delen. De Kerk voelt sterk de behoefte de barmhartigheid van God te verkondigen. Haar leven is authentiek en geloofwaardig, wanneer zij van de barmhartigheid haar overtuigde boodschap maakt. Zij weet dat vooral op een ogenblik als het onze, dat vol grote verwachtingen en tegenstellingen is, haar eerste taak is allen binnen te leiden in het grote mysterie van de barmhartigheid van God door het gelaat van Christus te aanschouwen. De Kerk is als eerste geroepen waarachtige getuige te zijn van de barmhartigheid door haar te belijden en te beleven als middelpunt van de openbaring van Jezus Christus. Uit het hart van de Drie-eenheid, uit het diepste van het mysterie van God ontspringt en vloeit onophoudelijk de grote stroom van de barmhartigheid. Deze bron zal nooit kunnen opdrogen, hoe velen er ook zijn die tot haar naderen. Telkens als iemand er behoefte aan zal hebben, zal hij tot haar kunnen komen, omdat de barmhartigheid van God eindeloos is. Zo ondoorgrondelijk is de diepte van het mysterie dat zij omgeeft, zo ondoorgrondelijk is de rijkdom die eruit voortkomt.

Moge de Kerk in dit Jubeljaar de echo worden van het Woord van God dat luid en overtuigend weerklinkt als een woord en een gebaar van vergeving, steun, hulp, liefde. Moge zij nooit moe worden barmhartigheid aan te bieden en altijd geduldig zijn in troosten en vergeven. Moge de Kerk de stem worden van iedere man en vrouw en met vertrouwen en onophoudelijk herhalen: “Gedenk uw barmhartigheid, Heer, uw altijd geschonken ontferming” (Ps. 25, 6).

Gegeven te Rome bij Sint Pieter, op 11 april, op de vigilie van de Tweede Zondag van Pasen of van de Goddelijke Barmhartigheid, van het jaar des Heren 2015, het derde van mijn pontificaat.

FRANCISCUS