Overzicht van de cursus


Introductie op de cursus

Al vele jaren geleden merkte ik dat ik in mijn gebedsleven behoefte had aan meer eenvoud en minder woorden. Bidden voelde voor mij als iets nogal ‘praterigs’. En ik zocht juist stilte, aandachtigheid, aanwezigheid.

Toen ontdekte ik het Jezusgebed. Dat moet al in 1990 zijn geweest. Want dat jaartal heb ik voorin het boek geschreven waarin ik voor het eerst iets las over het Jezusgebed: ‘Biddend onderweg. Over gebedsvormen en de praktijk van het bidden’ van G.C. Tromp (blz. 51-55). [Voor de liefhebber: de tekst van deze pagina’s is onderaan deze Introles als Extra materiaal te vinden.]

Het Jezusgebed is een eeuwenoude gebedsweg die juist daar begint: bij het verlangen naar stilte, weinig woorden, aanwezigheid.

Heer Jezus Christus,
Zoon van God,
ontferm U over mij

Door rustig en aandachtig de naam van Jezus te herhalen, ontstaat er ruimte om te vertragen, stil te worden en dieper geworteld te raken in de aanwezigheid van Christus. Niet door ingewikkelde technieken of bijzondere ervaringen, maar door een eenvoudig, trouw en liefdevol oefenen van biddende aandacht.

In deze cursus ontdek je hoe het Jezusgebed je kan helpen om meer innerlijke rust te vinden, meer verbonden te leven met Christus en meer aandachtig aanwezig te zijn in het gewone leven van elke dag.

Langzaam.
Eenvoudig.
Met open handen.
Met een open hart.

Deze cursus vraagt geen voorkennis. Alleen bereidheid om af en toe stil te worden en wat tijd te nemen en de naam van Jezus te ademen en ruimte te geven in je hart.

Drie reflectievragen ter voorbereiding op de cursus

Neem tien minuten om onderstaande vragen voor jezelf te doordenken en te doorvoelen.

  1. Wat verlang jij op dit moment het meest in je leven van geloof en gebed: meer rust, meer aandacht, meer verbondenheid, meer diepgang, meer vertrouwen, meer van iets anders?
  2. Welke plek hebben stilte, vertraging en eenvoudige aandacht voor God momenteel in jouw dagelijks leven?
  3. Welke betekenis heeft de naam van Jezus voor jou persoonlijk? Welke gevoelens, beelden, herinneringen of verlangens roept Zijn naam bij je op?

Een hele maand

Deze cursus beslaat precies een maand. Je ontvangt in totaal 30 inspiraties in vier lessen. Het mooiste is het als je er elke dag wat tijd aan kunt besteden. Maar lukt dat niet, dan is dat ook prima. Je kunt de cursus ook over een langere tijd een plek geven of meenemen de zomer is.

Misschien is het helpend om voor jezelf op te schrijven wat je hoopt te ontvangen in deze cursus. De onderstaande zinnen kunnen inspiratie bieden voor je eigen antwoord:

  • Ik hoop dat deze cursus mij helpt om meer rust en eenvoud te vinden in mijn geloofsleven.
  • Ik verlang ernaar om minder in mijn hoofd te leven en meer aanwezig te zijn bij God.
  • Ik hoop dat het Jezusgebed mij kan helpen om vaker stil te worden, minder gehaast te leven en meer vanuit aandacht en vertrouwen aanwezig te zijn in het gewone leven van elke dag.
  • Ik hoop dat de naam van Jezus voor mij meer wordt dan alleen een naam die ik uitspreek in de kerk of in een gebed, maar een levende aanwezigheid die met mij meegaat. Dat zijn naam iets van vrede, warmte, vertrouwen en liefde in mij wakker maakt.
  • Ik hoop niet direct op bijzondere ervaringen, maar ik verlang wel naar meer innerlijke ruimte, meer verbondenheid met Christus en meer rust in mijn hart.

Ik hoop in deze cursus te ontvangen…

Online ontmoetingen

Als extra ondersteuning voor deze cursus zal Lucas Boersma vier keer een online gesprek (via Teams) organiseren over de inhoud van de cursus. Dit soort vragen kunnen dan aan de orde komen: Wat kan of wil ik ermee? Hoe is het bij mij binnengekomen qua info? Wat roept dit op? Welke vra(a)gen heb ik hierbij? Hoe kan ik het meer praktisch maken? De online momenten vinden plaats steeds, om 20.00 uur, op deze avonden:

  • maandag 8 juni
  • woensdag 17 juni
  • vrijdag 3 juli

Extra materiaal

De lessen zullen ook extra materiaal bevatten. Voel je helemaal vrij om dat over te slaan als je daar geen tijd of ruimte voor hebt.

Het Jezusgebed

(uit: G.C. Tromp, Biddend onderweg. Over gebedsvormen en de praktijk van het bidden’, Den Haag 1985, blz. 51-55)

1. Jezus Christus overwint

Zowel in het Oosten als in het Westen is de Kerk doordrongen van de zekerheid dat Christus overwint. Blumhardt streed een gebedsstrijd aan het bed van een meisje dat tekenen van bezetenheid vertoonde. Hij was er diep van overtuigd dat Christus gekomen was om de werken des duivels te verbreken en daarom deed hij in zijn gebed een voortdurend beroep op de overwinningskracht van Christus. Als predikant van Möttlingen zei hij, zittend aan het bed van de patiënt: „Bid: Here Jezus, help mij! Wij hebben lang genoeg gezien wat de duivel kan; nu willen we ook zien wat Jezus kan!” Het meisje deed wat hij zei en er kwam een wonderlijke rust over haar. Dat was het begin van de uiteindelijke, totale overwinning. Van die tijd af werden de woorden „Jezus is Overwinnaar,” Blumhardts lijfspreuk en ook de korte belijdenis van de latere Möttlingerbeweging.

Het geloof in de overwinning van Christus hebben de Orthodoxe monniken op Athos uitgedrukt in een teken dat — door de traditie der eeuwen — overal op Athos wordt aangetroffen: een kruis met daar omheen de woorden „Jezus Christus overwint”. „Het is dat teken dat ge overal aantreft: op het drie meter hoge kruis naast het spierwitte kerkje op de hoogste top, op de muur van de laagst gelegen aanlegsteiger. Die tekens staan gekrast in de bomen, worden ingebakken in het eucharistisch brood, ze staan op neergestorte kluizenaars hutten, op afgehaakte, in puin liggende raamkozijnen, in de hoorns van weidende rammen, ingeprent in het hart van alle monniken: Jezus Christus overwint”.

In een gelijksoortige sfeer is, eeuwen geleden, het Jezusgebed ontstaan: „Jezus Christus, Zoon van God, ontferm u over mij.” Of: „Here Jezus Christus, Zoon van God, erbarm u over ons, (arme zondaren).” Het is in het Westen vooral bekend geworden door het Russische boek: „De ware verhalen van een Russische pelgrim”. Daarin wordt verteld van een man die diep in zijn ziel getroffen werd door het woord van Thess. 5:17: „Bidt zonder ophouden. Hij had het gevoel: Dát vraagt God van mij, te bidden zonder ophouden!” Maar hoe kan ik dat? Hij trok er als pelgrim op uit om overal te zoeken naar de betekenis van de tekst, en hoe hij in praktijk kon brengen, wat God blijkbaar van hem vroeg. Hij vroeg zich af: „Wat doe ik nu? Waar vind ik iemand die het me uit zal leggen?” Zijn besluit was aanvankelijk: „Ik ga kerken bezoeken die de naam hebben, dat er goed wordt gepreekt. Daar zal ik zeker iemand vinden die me kan voorlichten.” En dat heb ik gedaan. Ik heb in die kerken heel wat goede preken gehoord over het gebed, maar het waren voordrachten over het gebed in het algemeen: wat bidden is, hoe je moet bidden, wat de vruchten zijn van het gebed. Maar hoe je voortgang zou kunnen maken in het gebed, daarover sprak niemand. Wèl werd er één keer gepreekt over het „bidden in de geest” en over het „bidden zonder ophouden”, maar er werd niet bij gezegd hoe je tot een dergelijk gebed kunt komen. Het luisteren naar preken heeft me dus niet gegeven wat ik wenste.” Overal zoekend en vragend kwam hij terecht bij een „starets” die hem kon onderrichten in het „bidden zonder ophouden”, het altijd durend gebed.

Zulke staretsen hebben grote betekenis gehad voor het geestelijk leven van de Oosters Orthodoxe Kerk. Het waren mannen die zich terugtrokken uit de wereld en zich wijdden aan gebed en meditatie. Ze werden veelvuldig bezocht door mensen die met echte geloofsproblemen zaten. De starets leerde de zoekende pelgrim het korte gebed dat bestond uit een samenvoeging van de bede van Bartimeüs „Jezus, Zoon van David, ontferm u over mij!” en het gebed van de tollenaar uit de gelijkenis: „O God, wees mij, zondaar, genadig!” Het is opvallend dat men in het Oosten bij de persoonlijke gebeden vaak meer waarde hecht aan een kort gebed, dat eerbiedig herhaald wordt, dan aan lange gebeden waarin met vele woorden de noden bij de Heer gebracht worden. Het is een gedachte die het overwegen waard is.

De starets begon met de pelgrim op te dragen gedurende enkele weken dit korte gebed 3000 maal per dag eerbiedig te herhalen. Later voerde hij dit aantal nog op. Tenslotte kwam het gebed vanzelf in het hart van de pelgrim op, bij zijn wandelen op de weg, bij zijn gesprekken met mensen, bij al wat hij deed.

Het ligt voor de hand dat bij vele mensen die stammen uit de reformatorische traditie alle stekels gaan opstaan bij het horen, dat iemand 3000 maal hetzelfde gebed herhaalt. Dat is begrijpelijk. We weten van Luther dat hij ongelooflijk geleden heeft door het mechanisch herhalen van talloze gebeden in zijn kloostertijd. Mechanisch herhalen (in de lijn van het leveren van een prestatie) werkt geestdodend. Dat maakt van het gebedsleven een puinhoop. Dat het ook anders kan, hebben tal van christenen in het Westen ervaren, zowel in de katholieke als in de reformatorische sector van de Kerk.

De kracht van het Jezusgebed ligt in het herhalen van de Naam die boven alle naam is, de naam van Jezus. Waar die naam met eerbied genoemd wordt, daar is Hijzelf tegenwoordig. De herhaling wordt in de bijbel aangeduid met „gedenken”: „Gedenken wil ik uw Naam” (Ps. 45 : 18); in Psalm 63 : 7 zegt iemand dat hij God „gedenkt op zijn legerstede” (Buber: „Gedenke auf meinem Lager ich dein, in Nachtwachen murmle ich dir zu”). Letterlijk is hier sprake van het zacht, a.h.w. „murmelend” uitspreken van de naam van God. „Gedenken” is meer en gaat dieper dan alleen maar „denken aan”. Hier, in het Jezusgebed, is sprake van een gedenken van Jezus als Heer, als Messias en Zoon van God. Gedenken is méér dan in herinnering roepen. Gedenken is een zaak van het hart. Hoe men zich overigens het Jezusgebed eigen maakt is een zaak voor ieder persoonlijk.

2. De praktijk van het Jezusgebed

Het is belangrijk te zien hoe in dit gebed, in korte woorden, heel veel is samengebracht. Jezus Christus wordt beleden als „Heer” tot heerlijkheid van de Vader (Fil. 2). Wie Hem aanspreekt als „Heer” belijdt daarmee: U hebt alles over mijn leven te zeggen. Ik ben niet van mijzelf. Ik ben van U! Wie Hem aanspreekt als „Christus” erkent Hem als zijn redder, degene van Wie hij met lichaam en ziel afhankelijk is. Wie Hem aanspreekt als „Zoon van God” erkent daarmee zijn hoogheid die boven alle menselijke hoogheid uitgaat. En wie zegt „Ontferm U over mij!” belijdt daarmee zijn afhankelijkheid, en de ernst van zijn zonde en zijn zwakheid. Het voordeel van dit korte gebed is, dat men het overal kan bidden: wandelend op straat, in de supermarkt, zittend in bus of trein, bezig in het gezin, of — heel gewoon — in stilte tijdens een gesprek.

Oppervlakkig bezien lijkt het woord „Bidt zonder ophouden!” alleen maar een aansporing om te bidden, niet iets dat je helemaal serieus kunt nemen. De meeste mensen leggen het dan ook terzijde zonder er verder over na te denken. De vraag is echter, hoe je dat kunt doen zonder iets uit het oog te verliezen waarop overal in de bijbel de nadruk wordt gelegd: namelijk de waakzaamheid. Daarover worden in het N.T. twee dingen gezegd: 1) Wees waakzaam, door met een liefdevol hart je „mededienstknechten” te geven wat ze nodig hebben (Mat. 24 : 42-46; Mar. 13 : 33-37; Luc. 12 : 35-40; Hand. 20 : 29-31); 2) Houd dapper stand tegen de machten die je af willen trekken van de weg die God je wijst, strijd daarom de goede strijd des geloofs door biddend weerstand te bieden. De wapenrusting die God aanbiedt, funktioneert alleen in het gebed (Ef. 6 : 10-20).

Het is duidelijk dat een soldaat die op wacht staat niet kan volstaan met zo nu en dan eens aandacht te schenken aan de taak die hem werd toevertrouwd. Elke christen is zo’n soldaat op wacht. Daarom zegt de apostel Paulus: Gebruik de wapenrusting, je door God gegeven, „met alle bidding en smeking biddende te allen tijde in de Geest en tot hetzelfde wakende met alle gedurigheid en smeking …” (S.V.). Brouwer vertaalt: „Bidt te allen tijde in den geest.” Over de tegenpartij behoeft geen verschil van mening te bestaan: „Wordt nuchter en waakzaam, uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Wederstaat hem, vast in het geloof” (1 Petr. 5 : 8 v.). Uit het bovenstaande is duidelijk op welke gedachtenwereld het woord „Bidt zonder ophouden” inhaakt. Het is de ervaring van velen, dat het Jezusgebed van grote betekenis is bij het voeren van de strijd des geloofs. Het in stilte uitspreken van dit gebed door de mens die in moeilijke situaties komt, is voor velen een bron van kracht gebleken.

Wie de vaders van de Oosterse Orthodoxie leest, komt tot de ontdekking dat zij er voortdurend op wijzen, dat bidden (en dus ook het Jezusgebed) niet een zaak van het verstand en van woorden alleen is, maar dat het nodig is, dat alles ook met het hart geschiedt. Daarom is het goed niet alleen in het begin, maar steeds, van tijd tot tijd te mediteren over de inhoud van het gebed. Overigens moet men de wijsheid bewonderen waarmee ze stellen, dat een mens niet altijd met heel zijn hart kan bidden. Ze bemoedigen in dat opzicht degenen die het gevoel hebben: „Mijn gedachten dwalen vaak af, ik bid soms alleen maar met verstand.” Alles wordt in het werk gesteld om een krampachtige en wettische houding te vermijden.

Alla Selawry zegt in de Filokalia over het aanroepen van de naam van Jezus: „Met geloof aangeroepen, heeft deze naam een geweldige, helpende kracht. Het wezenlijke van deze aanroep ligt echter niet in de woorden, maar in het voortdurend biddend denken aan Jezus Christus, in een gestadig je wenden tot Hem. De woorden van het gebed zelf: „Heer, Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij!” drukken slechts uiterlijk die gedachten en gevoelens uit die zij inhouden. Voortdurend verricht, geeft dit gebed ons toenadering tot Jezus Christus, maakt het ons vertrouwd en verbindt het ons met Hem. Het voortdurend denken aan God wordt als het ware een wachter voor ons innerlijk, van al onze gedachten en onze gevoelens en laat niets onreins of onwaardigs in ons achterblijven. Onze aandacht richt zich op God — dat helpt ons verstrooidheid en nutteloze hersenschimmen te overwinnen, beschermt ons hart tegen niet goede neigingen, helpt ons bij het ordenen van ons binnenste en versterkt ons geloof en ons gebed.

Deze innerlijke ordening weerspiegelt zich in al onze woorden en handelingen. „Leert de mens niet de wil van God en zijn geboden in het binnenste van zijn hart op te volgen, dan zal hij ook naar buiten toe zich er niet aan houden” (Hesychius van Jeruzalem). Daarop komt alles aan. Bij dit belangrijke werken aan ons innerlijk leven biedt het Jezusgebed een onvervangbare hulp — of liever — Christus zelf, die door middel van dit gebed een vaste bewoner van ons hart wordt.”

Tenslotte: Wat in het Joodse geloof het uitspreken van de berachoth (de lofprijzingen) betekent, dat betekent in de Orthodoxie het Jezusgebed; het schept en houdt levend de relatie met God. Het Jezusgebed bewerkt, samen met onderhouden van de thora (de geboden) van Christus (Joh. 15 : 10), het „in Christus blijven”. Het verdient o.i. aanbeveling in plaats van het „ontferm u over mij” te bidden „ontferm U over ons”. Daarmee worden, in dit korte gebed, ook degenen die men ontmoet ingesloten.