Les 4
Dag 22: Tweeëntwintigste Inspiratie
Uit: ‘Het Jezusgebed’ van Lev Gillet. Over: ‘De naam Jezus en de Kerk’.
(40) In de naam Jezus ontmoeten we al degenen die met onze Heer verenigd zijn, al degenen van wie Hij gezegd heeft: Waar twee of drie in Mijn naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden [Mt. 18,20].
(41) We kunnen alle mensen vinden in het hart van Jezus en in Zijn liefde. Alle mensen kunnen we in Zijn naam samenbrengen en ze daarin omvangen houden. Het is niet nodig uitgebreid voor hun intenties te bidden, we behoeven slechts de naam Jezus uit te spreken met de naam van degene die in bijzondere nood verkeert. Alle mensen en alle goede gebedsintenties zijn reeds besloten in de naam van onze Heer. Jezus aanhangen is één worden met Hem in Zijn zorg en liefdevolle attentie voor hen. Zich aansluiten bij Jezus’ eigen voorspraak voor hen is veel beter, dan Hem te smeken namens hen.
(42) Waar Jezus is, daar is de Kerk. Wie in Jezus is, is in de Kerk. Zo het aanroepen van de heilige naam een middel is tot vereniging met onze Heer, zo is het ook een middel om zich te verenigen met de Kerk die in Hem is en die door geen menselijk kwaad kan worden beroerd. Dit wil niet zeggen dat we de ogen sluiten voor de problemen van de kerk hier op aarde, voor de onvolkomenheden en de verdeeldheid der christenen. We denken hier echter alleen aan de eeuwige en geestelijke en ‘onbevlekte’ zijde van de Kerk, die besloten ligt in de naam van Jezus. De Kerk, aldus beschouwd, stijgt boven iedere aardse werkelijkheid uit. Geen schisma kan haar verdelen. Jezus zei tot de Samaritaanse vrouw: Geloof Mij, de tijd komt dat u niet op deze berg, en ook niet in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. … De tijd komt en is er nu, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid [Joh. 4,21,23].
Er is een duidelijke tegenspraak in de woorden van onze Heer; hoe kan het uur nog komende zijn en er toch al zijn? Deze paradox wordt verklaard uit het feit dat de Samaritaanse vrouw voor Christus stond. Van de ene kant was er nog de historische tegenstelling tussen Jeruzalem en Gerizim; en de Jezus, wel verre van dit als onbeduidend te beschouwen, benadrukt de hogere roeping van Jeruzalem: U aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de zaligheid is uit de Joden [Joh. 4,22]. In deze zin was het uur nog niet gekomen. Van de andere kant was het uur er reeds, omdat de vrouw voor degene stond die groter is dan Jeruzalem of Gerizim, degene Die ons alles zal verkondigen [Joh. 4,25] en Wie wij moeten aanbidden in geest en waarheid [Joh. 4,24].
Dezelfde verhouding ontstaat wanneer wij door het Jezusgebed verenigd worden met Zijn heilige persoon. Zeker, we geloven allerminst dat alle tegenstrijdige interpretaties die er op aarde over het evangelie verkondigd worden tegelijkertijd waar zijn, en evenmin dat de gescheiden groepen van christenen in gelijke mate het goddelijke licht bezitten. Maar wanneer wij de heilige naam van Jezus in zijn volle betekenis uitspreken, geheel en al overgegeven aan Zijn persoon en Zijn verlangens, dan delen wij tegelijkertijd in het geheel van de Kerk en ervaren wij zo haar wezenlijke eenheid die dieper ligt dan al onze menselijke verdeeldheid.
- Wat betekent het voor jou dat je in de naam van Jezus niet alleen met Hem, maar ook met andere gelovigen verbonden bent?
- Hoe verandert jouw kijk op voorbede wanneer je beseft dat Jezus zelf voortdurend voor mensen bidt en zorgt?
- Waar ervaar jij spanning tussen de zichtbare verdeeldheid van de kerk en de diepere eenheid die volgens deze tekst in Christus aanwezig is?
Dag 23: Drieëntwintigste Inspiratie
Uit: ‘Het Jezusgebed’ van Lev Gillet. Over: ‘De Naam Jezus als eucharistie’.
(45) Het mysterie van de opperzaal was een samenvatting van heel het leven en de zending van onze Heer. (…) Er bestaat een ‘eucharistisch’ gebruik van de naam Jezus, waarin alle aspecten welke wij tot nu toe hebben behandeld zijn samengevat en verenigd.
(46) Ook onze ziel is een opperzaal, waar op ieder moment een onzichtbaar avondmaal des Heren kan worden gevierd. Onze Heer zegt het ons, bedekt zoals altijd: Ik heb er vurig naar verlangd dit Pascha met u te eten [Lk. 22,15]. Waar is de eetzaal waar ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal? [Lk. 22,11] maak het daar gereed [Lk. 22,12]. Deze woorden gelden niet alleen het zichtbare avondmaal des Heren, zij zijn ook toe te passen op de innerlijke eucharistie die, weliswaar alleen geestelijk, niettemin werkelijk is. In de zichtbare eucharistie wordt Jezus opgedragen onder de gedaante van brood en wijn. In de eucharistie binnen ons, kan Hij alleen worden betekend en aangeduid door Zijn naam. Daarom kan de aanroeping van de heilige naam door ons tot een eucharistie gemaakt worden.
(47) De oorspronkelijke betekenis van het woord ‘eucharistie’ is ‘dankzegging’. Ons inwendig avondmaal des Heren moet een dankbetuiging zijn voor de grote gave die ons door de Vader is geschonken in de persoon van Zijn Zoon. Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God [Hebr. 13,15]. De Heilige Schrift geeft onmiddellijk de aard van dit dankoffer aan: namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. Zo wordt de heilige naam verbonden met de idee van dankzegging. Wanneer wij Jezus’ naam uitspreken, behoren wij niet alleen de Vader te danken voor het feit dat Hij ons Zijn Zoon heeft gegeven of onze lofzegging tot de naam van de Zoon zelf te richten, maar moeten wij de naam van de Zoon tot het wezen en de drager maken van het offer van lof, aan de Vader gebracht, de uitdrukking van onze dank en tegelijk ons dankoffer.
(48) Iedere eucharistie is een offerande. Dan zullen zij de Heere een graanoffer brengen in gerechtigheid [Mal. 3,3]. Wij kunnen de Vader geen beter offer brengen dan de persoon van Zijn Zoon. Alleen dit offer is de Vader waardig. Ons offeren van Jezus aan de Vader is één met het offer dat Jezus zelf voortdurend aan Zijn Vader aanbiedt; hoe toch zouden wij uit onszelf Christus kunnen offeren! Om aan ons offer een concrete vorm te geven, kunnen wij niet beter doen dan de naam Jezus uitspreken. Wij zullen God de heilige naam aanbieden alsof het brood en wijn ware.
- Wat betekent het voor jou om je eigen hart te zien als een innerlijke opperzaal waar Christus aanwezig wil zijn?
- Hoe zou het uitspreken van de naam Jezus een vorm van dankzegging kunnen worden in jouw dagelijkse leven?
- Wat roept het bij je op dat je in het Jezusgebed als het ware de persoon van Jezus zelf aan God aanbiedt als een offer van lof en liefde?
Dag 24: Vierentwintigste Inspiratie
Uit: ‘Het Jezusgebed’ van Lev Gillet. Over ‘De Naam Jezus en de heilige Geest’.
(52) De naam Jezus heeft een zeer voorname plaats in de boodschap en de daden van de apostelen. Zij spraken in de naam van Jezus, genazen de zieken in Zijn naam, zij baden tot God: Nu dan, Heere, geef Uw dienstknechten tekenen en wonderen door de Naam van Uw heilig Kind Jezus [Hand. 4,29-30]. De Naam van de Heere Jezus werd groot gemaakt [Hand. 19,17]. Pas na Pinksteren verkondigden de apostelen de naam ‘met kracht’. Jezus had hun gezegd: U zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen, Die over u komen zal [Hand. 1,8]. In dit ‘pinkster’-gebruik van de naam van Jezus zien wij duidelijk het verband van de Geest en de naam. Het blijft intussen niet beperkt tot de apostelen, maar van al ‘degenen die geloven’ geldt het woord dat Jezus sprak: In Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; in vreemde talen zullen zij spreken … op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen gezond worden [Mk. 16,17-18]. Alleen ons gebrek aan krachtig geloof en liefde weerhoudt ons ervan een beroep te doen op de heilige naam in de kracht van de Heilige Geest. Wanneer wij waarlijk de weg van de heilige naam bewandelen, moet er een dag aanbreken waarop wij (zonder trots of aanmatiging) in staat blijken de glorie van onze Heer te openbaren en anderen te helpen door ‘tekens’. Hij, wiens hart een heiligdom is geworden van Jezus’ naam, moet niet aarzelen om tot hen die geestelijke of lichamelijke hulp nodig hebben de woorden van Petrus te herhalen: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u: in de naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en ga lopen! [Hand. 3,6]. O, mocht de Geest van Pinksteren komen en de naam Jezus met vuur in ons hart schrijven!
(53) Het ‘pinkster’-gebruik van de heilige naam is slechts één aspect van ons naderen tot de Heilige Geest door middel van de naam Jezus. De heilige naam zal ons nog tot andere en meer inwendige ervaringen van de Geest voeren. Wanneer wij de heilige naam uitspreken, mogen we een glimp opvangen van de betrekking tussen de Heilige Geest en Jezus. De Heilige Geest staat in een bepaalde verhouding tot Jezus, en Jezus in een bepaalde verhouding tot de Heilige Geest. Wanneer wij de naam Jezus herhalen, bevinden wij ons bij wijze van spreken op het kruispunt waar deze twee ‘strevingen’ elkaar ontmoeten.
(54) Toen Jezus werd gedoopt, daalde de Heilige Geest op Hem neer in lichamelijke gedaante als een duif [Lk. 3,22]. Het neerdalen van de duif is de beste uitbeelding van de verhouding van de Heilige Geest tot onze Heer. Laten wij daarom nu trachten, wanneer wij de naam van Jezus zeggen, als het ware mee te gaan met de Jezusgerichte beweging van de Heilige Geest, met de Geest, door de Vader naar Jezus gezonden, kijkend naar Jezus en komend tot Jezus. Laten wij trachten onszelf te verenigen, voor zover een schepsel zich met een goddelijke handeling verenigen kan, met deze vlucht van de duif (Och, gaf mij iemand duivevleug’len [Ps. 55,4]) en met tedere gevoelens die zij tot uiting brengt: Het koeren van de tortelduif wordt in ons land gehoord [Hoogl. 2,12]. Alvorens voor ons te pleiten met onuitsprekelijke verzuchtingen [Rom. 8,26], verzuchtte de Heilige Geest naar Jezus en zal in eeuwigheid naar Jezus blijven verzuchten. Het Boek der Openbaring toont ons de Heilige Geest samen met de bruid (de Kerk) roepend om de Heer. Wanneer wij de naam Jezus uitspreken, kunnen wij dat opvatten als het zuchten en verzuchten van de Heilige Geest, als de uitdrukking van Zijn smachten en verlangen. Aldus zullen we, in overeenstemming met ons zwak menselijk vermogen, worden opgenomen in het mysterie van de liefdesbetrekking tussen de Heilige Geest en de Zoon.
(55) Omgekeerd kan de naam Jezus ons ook helpen in te stemmen met de gevoelens van onze Heer ten opzichte van de Heilige Geest. Maria had Jezus ontvangen uit de Heilige Geest [Mt. 1,20]. Gedurende Zijn gehele aardse leven bleef Hij (en blijft Hij nog steeds) volmaakt openstaan voor de Gave die de Heilige Geest is. Hij laat zich door de Geest volkomen overmeesteren, door de Geest weggeleid [Mt. 4,1]. Hij keert uit de woestijn terug door de kracht van de Geest [Lk. 4,14]. Hij verklaarde: De Geest van de Heere is op Mij [Lk. 4,18]. In dit alles toont Jezus een nederige volgzaamheid aan de Heilige Geest. Wanneer wij de naam Jezus uitspreken, kunnen wij ons, voor zover dit aan mensen gegeven is, met Hem verenigen in die overgave. Maar we kunnen onszelf ook één met Hem maken, als met het uitgangspunt van waaruit de Geest tot de mensheid gezonden werd: Alles wat de Vader heeft, is het Mijne; daarom heb ik gezegd dat Hij het uit het Mijne zal nemen en het u zal verkondigen [Joh. 16,15]. We kunnen de naam Jezus zien als het brandpunt van waaruit de Geest Zijn levenwekkende stralen uitzendt naar de mensheid. We kunnen Jezus zien als de mond van waaruit de Geest ademt. Zo kunnen wij ons bij het uitspreken van de naam Jezus verenigen met deze twee momenten: Jezus’ vervuld worden van de Geest en Jezus’ uitstralen van de Geest. Voortgang maken in het aanroepen van de heilige naam is groeien in de kennis van de Geest van Zijn Zoon [Gal. 4,6].
- Wat betekent het voor jou dat de naam van Jezus niet alleen verwijst naar Jezus zelf, maar ook naar de aanwezigheid en werking van de Heilige Geest?
- Waar verlang je naar meer van de kracht, liefde en vrijmoedigheid van Pinksteren in je eigen leven?
- Hoe zou jouw gebed veranderen als je het uitspreken van de naam Jezus ziet als een meebewegen met het verlangen van de Geest naar Christus en met Christus’ overgave aan de Geest?
Dag 25: Vijfentwintigste Inspiratie
Uit les 14 van de eerder gegeven online cursus ‘Stil, mijn ziel, wees stil’ deel ik drie onderdelen die je kunt lezen in de les hieronder.
- 14.1 Icoon van de Heilige Drie-eenheid
- 14.2 Jezusgebed in icoonvorm
- 14.3 Christus ademen

- Wat raakt je het meest in het beeld van de open ruimte aan tafel, waar jij wordt uitgenodigd om deel te nemen aan de liefde tussen Vader, Zoon en Heilige Geest?
- Hoe helpt het inzicht dat de naam van Jezus alleen al een gebed kan zijn, vooral op momenten waarop woorden tekortschieten?
- Wat zou het voor jouw geloofsleven betekenen om Christus bewust te ‘ademen’ en te leven vanuit zijn aanwezigheid, genade en ontferming?
Dag 26: Zesentwintigste Inspiratie
Uit les 15 van de eerder gegeven online cursus ‘Stil, mijn ziel, wees stil’ deel ik twee onderdelen die je kunt lezen in de les hieronder.
- 15.1 Ontferm u over mij?
- 15.2 Kan het anders?
- Wat betekent de bede ‘ontferm u over mij’ voor jou: een vraag om hulp, een belijdenis van afhankelijkheid, of iets anders?
- Hoe houd jij in je geloofsleven de spanning vast tussen Gods kracht en jouw eigen kwetsbaarheid?
- Welke woorden of gebedszin helpen jou het meest om stil te worden en je bewust te worden van Gods aanwezigheid?
Dag 27: Zevenentwintigste Inspiratie
Uit: ‘Het Jezusgebed’ van Lev Gillet. Over: ‘De Naam Jezus en de Vader’.
(56) Ons lezen van het evangelie zal oppervlakkig blijven zolang wij er alleen maar een boodschap gericht tot of een leven gekeerd naar de mens in zien. Het wezenlijke kernpunt van het evangelie is: de intieme verhouding van Jezus tot de Vader. Het geheim van het evangelie is: Jezus gekeerd tot de Vader. Dit is het fundamentele mysterie van het leven van onze Heer. Het aanroepen van de naam Jezus staat ons toe in werkelijkheid, zij het dan zwak en als in het voorbijgaan, aan dit mysterie deel te nemen.
(57) In het begin was het Woord [Joh. 1,1]. De persoon van Jezus is het levende Woord, van alle eeuwigheid door de Vader gesproken. Omdat, door een bijzondere goddelijke beschikking, de naam ‘Jezus’ gekozen werd om het levende Woord, gesproken door de Vader, aan te duiden, mogen wij zeggen dat deze naam enigermate deel uitmaakt van die eeuwige zegging. Op een wat antropomorfische wijze (die gemakkelijk te verbeteren is) zouden we kunnen zeggen dat de naam Jezus het enige menselijke woord is dat de Vader eeuwig uitspreekt. De Vader brengt van alle eeuwigheid zijn Woord voort. Hij geeft zichzelf eeuwig in de voortbrenging van het Woord. Wanneer wij verlangen tot de Vader te naderen door het aanroepen van de naam Jezus, moeten wij, als wij de heilige naam uitspreken, op de eerste plaats Jezus zien als het voorwerp van de liefde en de gave van zichzelf van de Vader. Laat ons daarom proberen — op onze menselijke manier — het uitstromen van deze liefde en deze gave in de Zoon te ervaren. Wij hebben reeds de duif op Hem zien neerdalen, dus dan rest ons nog de stem van de Vader te vernemen die zegt: U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen! [Lk. 3,22].
(58) En nu moeten wij bescheiden trachten door te dringen in het zoonsbewustzijn van Jezus. Nadat wij in het woord ‘Jezus’ het uitzeggen van ‘mijn zoon’ door de Vader hebben ontdekt, moeten wij daarin van de andere kant Jezus’ uitzeggen van ‘mijn Vader’ trachten te beluisteren. Jezus kent geen ander verlangen dan de Vader te verkondigen en Zijn Woord te zijn. Niet alleen zijn alle handelingen van Jezus gedurende Zijn aardse leven daden van volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader geweest: Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Hem Die Mij gezonden heeft [Joh. 4,34], niet alleen heeft de offerdood van Jezus aan de hoogste eis van de goddelijke liefde (waarvan de Vader de bron is) voldaan: Niemand heeft een grotere liefde dan deze, namelijk dat iemand zijn leven geeft [Joh. 15,13], maar Zijn hele wezen was een volmaakte weerspiegeling van de Vader. Jezus is de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn zelfstandigheid [Hebr. 1,3]. Het Woord was tot God [Joh. 1,1]; de vertaling bij God is niet juist. Deze eeuwige gerichtheid van de Zoon op de Vader, dit eeuwig gekeerd zijn naar Hem, moeten wij ervaren in de naam Jezus.
Maar er is meer in de heilige naam dan enkel het gekeerd zijn naar de Vader. Wanneer wij ‘Jezus’ zeggen, kunnen wij enigermate Vader en Zoon samenbrengen, wij kunnen hun één-zijn realiseren en ons eigen maken. Op hetzelfde ogenblik dat wij de heilige naam uitspreken, zegt Jezus zelf tot ons, evenals Hij zei tot Filippus: Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? [Joh. 14,10].
- Wat doet het met je om Jezus niet alleen te zien als degene die naar mensen toe komt, maar vooral als degene die voortdurend gericht is op de Vader?
- Hoe zou jouw gebed veranderen als je het uitspreken van de naam Jezus beleeft als deelnemen aan de liefde tussen Vader en Zoon?
- Wanneer ervaar jij iets van de werkelijkheid dat Jezus in de Vader is en de Vader in Hem, en dat jij daarin wordt meegenomen?
Dag 28: Achtentwintigste Inspiratie
Uit: ‘Het Jezusgebed’ van Lev Gillet. Over: De heilige Naam en de alomtegenwoordigheid’.
(59) De voornaamste aspecten van het Jezusgebed hebben wij nu gezien. Wij hebben ze gerangschikt tot een soort climax en wij menen dat deze climax beantwoordt aan de normale voortgang van het leven der ziel. Niettemin, God, die de Geest geeft zonder maat [Joh. 3,34], overschrijdt al onze grenzen. Deze aspecten van de heilige naam lopen door elkaar heen; het kan voorkomen dat een beginneling direct wordt gegrepen door het diepste inzicht in de inhoud van de heilige naam, terwijl een ander die reeds jaren het Jezusgebed beoefent niet verder is gekomen dan de meest voor de hand liggende begrippen (dit is natuurlijk niet het voornaamste; het enige waar het op aankomt is: doen wat God wil dat wij doen). Daarom is het patroon, dat wij in grote lijnen volgden, iets kunstmatigs en heeft het maar betrekkelijke waarde.
(60) Dit wordt heel duidelijk voor iedereen die het Jezusgebed, van alle kanten die wij hier hebben beschreven, heeft ervaren. Op dit niveau aangekomen (wat niet wil zeggen dat dan ook een hogere graad van volmaaktheid werd bereikt, maar wel vaak een zeker intellectueel en geestelijk hoogtepunt en een bepaalde vlugheid van begrip en onderscheidingsvermogen met betrekking tot de goddelijke dingen), kan het moeilijk worden, of zelfs vervelend, onaangenaam en saai, ja zelfs onmogelijk om zich nog te concentreren op dit of dat bepaald aspect van de naam Jezus, hoe verheven het ook in zich moge zijn. Ons aanroepen en beschouwen van de heilige naam vervaagt tot het zeer algemene. Wij worden ons ineens bewust van wat in de heilige naam vervat is. Wij zeggen: ‘Jezus’, en rusten in de volheid en de totaliteit van de naam van onze Heer. Wij zijn niet meer bij machte de diverse aspecten uit het geheel los te maken en afzonderlijk te bekijken, maar toch voelen wij hen er allemaal in, als één samengevoegd geheel. De heilige naam is dan de drager van de hele Christus en voert ons binnen Zijn alomtegenwoordigheid.
(61) Deze alomtegenwoordigheid is meer dan de aanwezigheid van nabij zijn en inwoning, waar wij reeds over gesproken hebben. Het is het actueel ‘gegeven-zijn’ van alle werkelijkheden waartoe de heilige naam voor ons een benaderingsmiddel is geweest: verlossing, vleeswording, gedaanteverandering, eucharistie, Kerk, Geest en Vader. Daarin zullen wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de breedte en lengte en diepte en hoogte [Ef. 3,18] en zullen wij begrijpen wat het betekent om alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is [Ef. 1,10].
(62) Deze alomtegenwoordigheid omvat alles. De heilige naam betekent niets zonder de tegenwoordigheid. Wie in staat is bij voortduring te leven in het bewustzijn van de alomtegenwoordigheid van de Heer, heeft de heilige naam niet nodig. De naam is enkel maar een stimulans en steun om te komen tot het beleven van de tegenwoordigheid van God. Mocht het ogenblik zelfs hier op aarde al aanbreken, dat wij ook het roepen van de heilige naam kunnen nalaten om in sublieme vrijheid los van alle belemmeringen slechts het naamloos en onuitsprekelijk levende contact met de persoon van Jezus te genieten!
(63) Beschouwen wij de verschillende aspecten van of afleidingen uit de heilige naam afzonderlijk, dan gelijkt ons aanroepen op de werking van een prisma waardoor een straal wit licht in de verschillende kleuren van het spectrum uiteenvalt. Ervaren wij evenwel het aanroepen van de naam in zijn geheel, dan werkt de aanroeping zogezegd als een lens die het witte licht in zijn geheel opneemt en concentreert. Door middel van een lens kan men met een zonnestraal iets brandbaars ontsteken. De heilige naam is deze lens. Jezus is het zonlicht, Zijn naam bundelt en richt als een lens dit licht op onze ziel tot er vuur ontvlamt. Ik ben gekomen om vuur te werpen op aarde [Lk. 12,49].
(64) Op veel plaatsen belooft de Heilige Schrift bijzondere zegen aan hen die de naam van de Heer aanroepen. Wij mogen op de naam Jezus toepassen wat gezegd werd van de naam van God. Daarom herhalen wij: Keer U tot mij en wees mij genadig, naar Uw beschikking voor hem die Uw naam bemint [Ps. 119,132]. En van ieder van ons moge de Heer zeggen wat Hij zei van Saul: Deze is voor Mij een uitverkoren instrument om Mijn Naam te brengen [Hand. 9,15].
- Welke woorden of beelden uit deze tekst helpen jou om Jezus minder te zien als een onderwerp van nadenken en meer als een levende aanwezigheid?
- Herken je momenten waarop woorden, gebeden of technieken naar de achtergrond verdwijnen en alleen het besef van Gods nabijheid overblijft?
- Wat roept het beeld bij je op van de naam van Jezus als een lens die Gods licht bundelt totdat er vuur ontstaat in de ziel?












































