In de vorige blogpost kondigde ik aan vanuit twee perspectieven te gaan schrijven over de beginzin en de beginvraag uit het klassieke gereformeerde kinderdoopformulier (‘wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren…’): 1. theologisch-inhoudelijk, 2. communicatief-missionair. Eerst nu de theologische kant van het verhaal. Ik schets eerst twee uitersten.

Er is aan de ene kant de mogelijkheid dat de kerk de mensen vastzet in hun zondaar-zijn. Elke zondag opnieuw word je aangezegd dat je maar een zondaar bent, dat je aan de lopende band zondigt en dat er niet veel verbetering te verwachten valt, want we zijn immers allemaal zondaars (en zelfs het kleine begin – dat echt minimaal is, verwaarloosbaar eigenlijk – is met zonde bevlekt). Als daaraan toegevoegd wordt dat we ‘toch in Christus geheiligd zijn’ en dat we dankzij zijn offer toch rechtvaardig zijn omdat we delen in zijn gerechtigheid, voelt dat niet echt als een opluchting of bevrijding. En het wekt ook niet de indruk dat er dan echt iets veranderd is. Want even later krijg je alweer te horen dat je een zondaar bent en blijft en dat we vooral een dieper zondebesef moeten krijgen.

Aan de andere kant is er de mogelijkheid dat de kerk zwijgt over zonde. Als er over de identiteit van de mens voor God wordt gesproken, wordt vooral gezegd (en heel vaak herhaald) dat we geliefde kinderen van God zijn, dat God eeuwig en onvoorwaardelijk van ons houdt en dat hij ongelooflijk genadig is. De term ‘zondaar’ wordt zorgvuldig vermeden. In uiterste gevallen wordt zelfs gezegd dat we niet meer kunnen zondigen of dat we geen zonden meer hoeven te belijden omdat ze al vergeven zijn.

Twee uitersten dus, hoewel ik me niet aan de indruk kan onttrekken dat ze her en der allebei wel in reincultuur tegen te komen zijn. Ik kan me echter niet aan de indruk onttrekken dat de beginzin en de beginvraag van het klassieke kinderdoopformulier ons brengen in de sfeer van het eerste uiterste: dit moet als eerste gezegd worden, en het moet ook telkens herhaald  worden, want hieraan kom je je leven lang niet voorbij. En dat moet aan het begin van je leven als eerste tegen je in de kerk gezegd worden (ook al begrijpen onze kinderen dit nog niet).

Theologisch gezien is de vraag nu: doet dit recht aan de inhoud van het evangelie? Is dit het evangelie: ‘jij bent een zondaar, maar toch in Christus geheiligd’? Ongetwijfeld is dit evangelie, maar het evangelie is voller, rijker, meer. Wat ik vooral in de toonzetting mis is de realiteit van het ‘een nieuwe schepping’ zijn. Wat beeldender geformuleerd: is het evangelie van ‘je bent zondaar en je blijft zondaar, ook al ben je in Christus geheiligd’ niet zoiets als christenen elke keer maar weer teruggooien in het doopwater en kopje onder duwen?

Anders gezegd: markeert de doop nu een verandering, een nieuwe situatie, of wordt de doop eigenlijk elke zondag herhaald – niet met water natuurlijk, want dan is het ‘overdopen’, maar wel met woorden -: elke keer moet je het water weer in om dood te gaan. Elke keer als je weer wordt aangezegd dat je een zondaar bent en blijft ga je dood. Zit hier ook niet de pijn van heel veel broeders en zusters die het niet konden uithouden in gereformeerde kerken waar het zondaars-evangelie zondag in zondag uit wordt gebracht zonder dat er echt oog is voor het nieuwe leven in Christus?

Maar is dat dood gaan nu juist niet eenmalig uitgebeeld door de onderdompeling in of de besprenkeling met het water? Waarom steeds teruggeduwd in het water en waarom niet de ruimte laten zien van het beloofde land van nieuw leven waar Jezus zegt: ‘Ik ben het licht voor de wereld, als je mij volgt zul je nooit meer in het duister lopen’?

Kijk, ik wil er helemaal niet bij uitkomen dat we niet moeten spreken over zonde en dat zondigen op enig moment in je leven een totaal gepasseerd station zou zijn. Waar ik wel wil uitkomen is een evangelischer (‘in overeenstemming met het volle evangelie’ bedoel ik daarmee) spreken over de identiteit van de mens in Christus. Kunnen wij niet zeggen: ‘In Christus ben ik geen zondaar meer, maar een nieuwe schepping dankzij het vernieuwende werk van de Geest; en zeker, ik zondig nog, vaker dan me lief is; en zeker, op de man af gevraagd erken ik dat het vaak zo tegenvalt met dat nieuw leven – maar God zij dank, ik wás een zondaar, ik bén een nieuwe schepping’.

Zo moet u ook uzelf zien: dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God. (…) De zonde mag niet langer over u heersen, want u staat niet onder de wet, maar leeft onder de genade‘ (Romeinen 6:11,14)

Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen‘ (2 Korintiërs 5:17)