Onderstaand verhaal heb ik gehouden op vrijdag 24 november 2017 in de Theologische Universiteit in Kampen tijdens een studiedag naar aanleiding van het boek van Hans Burger: Leven in Christus.

WIJ WILLEN JEZUS ZIEN
Pleidooi voor een contemplatieve christologie

Tien jaar geleden – in 2007 – ging ik voor in een trouwdienst in het gebouw van de Kerk van de Nazarener in Haarlem. Ik was nog niet eerder in dat gebouw geweest. Ik ga bij het begin van de dienst op de preekstoel staan en ik word op dat moment zeer getroffen door een koperen bordje dat daar tegen de rand van de preekstoel is bevestigd, alleen zichtbaar voor de voorganger.

Dit staat er op dat bordje: ‘Wij willen Jezus zien.’ En ik kijk de mensen aan die daar zitten. En ik realiseer me dat hier het diepste verlangen wordt verwoord van de gemeente die op zondag samenkomt: ‘Wij willen Jezus zien’. Dit is het verlangen van christenen, misschien ligt het soms diep verscholen en moet het weer tevoorschijn worden gesproken en gebeden – maar dit is het diepste verlangen: ‘Wij willen Jezus zien.’

[2]

Toen ik deze herinnering aan het overwegen was, moest ik ook weer denken aan een toespraak van paus Johannes Paulus II die ik kort daarvoor was tegengekomen. Gehouden op de Wereldjongerendag in 2004. Thema van die dag was: ‘Wij willen Jezus zien’. Paus Johannes Paulus zei onder meer: “Het meest sublieme aspect van de menselijke waardigheid is de roeping van de mens om met God te communiceren in een intens elkaar aanzien dat het hele leven verandert. Om Jezus te zien, moeten wij Hem eerst naar ons laten kijken! (…) Dierbare jonge mensen, laat je door Jezus diep in de ogen kijken, zodat in jullie het verlangen groeien mag om het Licht te zien en de glorie van de waarheid te aanschouwen.”

[3]

In diezelfde jaren – het waren ook de jaren waarin Hans Burger en ik en vele andere predikanten uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt elkaar ontmoetten in het Werkgezelschap Christocentrische Gemeente – in diezelfde periode kreeg ik van een twintiger uit de Fonteinkerk in Haarlem, waar ik toen predikant was, een CD kado, met muziek van Andreas Scholl. ‘Het is misschien niet jouw type muziek’, zei hij erbij, ‘maar vooral dat eerste nummer op de CD helpt me om contact te maken met wat jij in je preken altijd zo nadrukkelijk zegt: dat het om Jezus gaat’.

We gaan zo samen luisteren naar dat eerste nummer van die CD, want ik heb er zelf sindsdien honderden keren naar geluisterd: ‘O, Jesu, nomen dulce’ (een compositie van Heinrich Schütz). De tekst van dat lied gaat terug op Bernardus van Clairvaux (11e eeuw, een citaat uit een van zijn preken op het Hooglied):

‘Schrijft u over iets,
het kan me niet behagen als ik daarin Jezus niet lees.
Houdt u een betoog of bespreking,
het kan me niet boeien als Jezus er niet doorheen klinkt.
Jezus is honing in de mond,
een lied in het oor,
een juichkreet in het hart.’

[4] Laten we luisteren (4 minuten):

O Jesu nomen dulce

Nomen admirabile

Nomen confortans

Quid enim canitur suavius

Quid auditur jucundius

Quid cogitatur dulcius

Quam Jesus Dei filius.
O nomen Jesu,

verus animae cibus

In ore mel,

in aure melos,

in corde laetitia mea

Tuum itaque nomen,

dulcissime Jesu,

in aeternum in ore meo portabo.

O Jezus, lieflijke naam

bewonderenswaardige naam

troostende naam

wat is zoeter om van te zingen

wat is vreugdevoller om van te horen

wat is lieflijker om aan te denken

dan Jezus, de zoon van God
O, naam van Jezus,

waar voedsel voor mijn ziel

Honing in mijn mond,

een lied in mijn oor,

vreugde in mijn hart.

Daarom wil ik uw naam,

liefste Jezus,

eeuwig in mijn mond dragen.

[5]

“In ore mel, in aure melos, in corde laetitia.” Als honing in de mond, als muziek in de orene, vreugde in mijn hart. Dat proef ik in het boek van Hans. Alles gaat om het kennen van Jezus, om het verhaal van de messias, het hele verhaal van de hele Christus. En hoe belangrijk is het om dat verhaal te vertellen, om Christus voor te stellen aan christenen en aan alle mensen van goede wil: Christus in zijn volle lengte en breedte, zijn volle hoogte en diepte (vgl. Efeziërs 3:18).

Solus Christus. Totus Christus. Christus alleen en Christus helemaal. Alleen zo vind je je identiteit als geliefd kind van de Vader en alleen van daaruit kan die nieuwe identiteit doorwerken in ons leven. Dat is een weg om te gaan.

De weg die Hans kiest in zijn boek is die van het verstand. Of zoals hij het zelf schrijft tegen het einde van het boek (we zijn dan inmiddels op bladzijde 298): “Je kunt er een boek over schrijven en lezen. Dat is de weg van dit boek: de weg van het hoofd. Via vernieuwing van ons denken en ons verstaan, vanuit het geloof worden we meer en meer nieuw – en dan zal dat gelovige denken steeds meer hoopvol en liefdevol zijn.” Hans noemt ook de weg van de handen (leven in navolging, vrucht dragen, Christus wordt zichtbaar) en de weg van het hart: “van angst en trots naar overgave en verlangen, in hoop op God.” Samenvattend: “Via denken, doen en voelen, via geloof, liefde en hoop zal de nieuwe identiteit in Christus meer en meer onze existentie doortrekken.”

Op dit moment wil ik naast de weg van het hoofd vooral ook die weg van het hart nog wat meer aanwijzen en aanprijzen. Het is de weg van verlangen en overgave, de weg van het denken met het hart. Liever nog: de weg van het kijken met de ogen van je hart, zoals Paulus daar een keer over spreekt in Efeziërs 1:18: ‘Moge uw hart verlicht worden’. Het gaat, in de vertaling van 1951 om: ‘verlichte ogen (uws) harten’.

[6]

En zo kom ik bij die contemplatie, dat zien, dat schouwen van Christus. ‘Wij willen Jezus zien’, met de ogen van ons hart. Mij is gevraagd om vanuit spiritueel-monastiek perspectief te reageren op het boek van Hans. Vandaar een pleidooi voor een contemplatieve christologie, een christologie die er weet van heeft dat een echte ontmoeting daar gebeurt waar we elkaar in de ogen kijken, waar onze blikken elkaar treffen.

Een contemplatieve christologie zegt: “Laat je door Jezus diep in de ogen kijken”. In dat oogcontact gebeurt het wonder. Dit wonder: dat je jezelf vergeet omdat Christus alles voor je wordt.

Ik moet denken aan de heilige pastoor uit het Franse dorpje Ars, negentiende eeuw, die zijn gelovigen onder andere dit leerde: “Het is niet nodig veel te spreken om goed te bidden. We weten dat Jezus daar is, in het heilige tabernakel. Laten wij ons hart voor Hem openen, ons verheugen in Zijn heilige aanwezigheid. Dat is het beste gebed.”

En de vrucht van dat onderwijs van de pastoor van Ars klinkt na in de Catechismus van de Katholieke Kerk nr. 2715.  Daar wordt gesproken, in het kader van de behandeling van het gebedsleven, over de beschouwing of contemplatie: “De contemplatie is een op Jezus gerichte blik vol geloof. ‘Ik kijk Hem aan en Hij kijkt mij aan’, zei een boer uit Ars, toen hij voor het tabernakel in gebed was, ten tijde van de heilige pastoor. Deze aandacht voor Hem betekent verloochening van het ‘ik’. Zijn blik zuivert het hart. Het licht van de blik van Jezus verlicht de ogen van ons hart; het leert ons om alles te zien in het licht van zijn waarheid en van zijn medelijden voor alle mensen. De beschouwing laat ook haar blik gaan over de geheimen van het leven van Christus. Zo leert de beschouwing ons ‘de Heer van binnen kennen’ om Hem lief te hebben en Hem meer te volgen.”

Ja, dat is contemplatie: “Hij kijkt naar mij en ik naar hem.” Daar, in dat moment van innig samen zijn in elkaars aanwezigheid, daar gebeurt het wonder: ik vergeet mijzelf omdat Christus alles voor mij wordt.

En is het niet precies – dat is de vraag die ik hier vandaag wil stellen – in die contemplatie, in het me laten aankijken door Christus, dat ik vrij word om er voor de ander te zijn, om waarlijk mens te zijn, mens voor God en mens voor mijn medemens?

In 2 Korintiërs 3 vers 18 schrijft Paulus: “Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de ​Heer​ aanschouwen, zullen meer en meer door de ​Geest van de ​Heer​ naar de luister van dat beeld worden veranderd.” Rowan Williams, voormalig aartsbisschop van de Anglicaanse Kerk, heeft reflecterend op deze uitspraak gezegd: “Wij zoeken dit [het aanschouwen van de luister van de Heer] niet omdat we uit zijn op een of andere persoonlijke religieuze ervaring, waardoor we onze zeker en heilig voelen. Wij zoeken dit omdat omdat we in deze blik op het licht van God in Christus, waarin wij onszelf vergeten, leren hoe we naar elkaar kunnen kijken en naar heel Gods schepping.” In het Engels spreekt Williams over: ‘self-forgetting gazing towards the light of God in Christ’.

[7]

Contemplatieve christologie heeft daar alles mee te maken heeft. Met zelfvergetelheid. Ook in onze concentratie op onze identiteit kunnen we nog zo met onszelf bezig zijn dat we Christus niet zien. Christus zelf, die ons aankijkt.

Het licht van zijn gelaat schijnt over ons en hij is ons genadig.
Hij wendt ons zijn gelaat toe en geeft ons vrede.

De Christus over wie wij spreken en wiens verhaal wij proberen te spellen, om te vermijden dat we achterblijven met een halve Jezus, is allereerst de Christus die zelf spreekt. Sterker nog: daaraan vooraf gaat dat hij ons ziet, dat hij ons aankijkt. En in die blik gebeurt, als ik ook kijk, het wonder: dat ik mijzelf vergeet omdat Christus alles voor mij wordt.

Ik wens de lezers van het boek van Hans toe dat ze het boek al lezend zo nu en dan even wegleggen, omdat er een stem klinkt. Deze stem: “Laat je door Jezus diep in de ogen kijken”.