Schrijven over spiritualiteit heeft iets riskants. Er kan gemakkelijk de suggestie vanuit gaan dat de auteur zelf heel spiritueel leeft. Maar doe ik dat? Ik kan je zeggen dat ik het gemakkelijker vind om over spiritueel leven te schrijven dan spiritueel te leven, gemakkelijker om over bidden te schrijven dan te bidden, gemakkelijker om over bijbellezen te schrijven dan echt zelf met de bijbel alleen te zijn (zonder dat er een vorm van output aan verbonden is, bijvoorbeeld een preek of een meditatie voor op mijn website).

Gelukkig bevind ik me hiermee in goed gezelschap. In heel veel boeken over spiritueel leven en gebed haast de auteur zich om te zeggen dat de concrete praktijk vaak achterblijft bij wat er in het boek wordt verteld. Zo is bijvoorbeeld Philip Yancey eerlijk over het gegeven dat hij een boek over bidden heeft geschreven om zelf weer te leren bidden. Ook Henri Nouwen laat in zij publicaties altijd blijken dat spiritueel leven een worsteling is, ook voor hem. En A.J. Simonis schrijft in zijn boek ‘Op de adem van het leven’:

Ik schrijf dit boek niet als een beroepsbidder. Het zijn gedachten van iemand, die zo goed en zo kwaad als het gaat Jezus probeert na te volgen en zo goed en zo kwaad als het gaat probeert te bidden. En dan met alle bekoringen en stemmingswisselingen, waaraan ik onderhevig ben.

Voorin dat boek staat een prachtig gebed van Moeder Teresa: ‘Gebed voor hen die niet kunnen bidden’:

Heer, help de man of de vrouw
die zou willen bidden
maar het niet kan.

Aanvaard hun verlangen te bidden
als een gebed.
Luister naar hun zwijgen
en ontmoet hen daar
in hun woestijn.

U hebt al eerder
mensen uit de woestijn geleid
en hun uw beloofde land laten zien,
hoogste Heer, koning van koningen.

Amen.

Het gaat misschien nog meer om het verlangen naar spiritueel leven dan het spiritueel leven zelf. In een interview in Trouw (‘In het verlangen naar Jezus ervaar ik zijn aanwezigheid’) heb ik het zelf een tijd geleden zo onder woorden gebracht:

En ik heb God gevraagd: God, als Jezus dan echt zo belangrijk is, wilt u me dat dan ook laten merken? Dat is gebeurd. Sindsdien heb ik een allesbeheersend verlangen om Christus te kennen. Mijn verlangen is zo groot dat je me er ’s nachts voor wakker mag maken. Vanaf toen wist ik dat precies in dit verlangen het belangrijkste van mijn religieuze ervaring zit. In het verlangen ervaar ik al iets van zijn aanwezigheid, het is een soort van voorpret.