Op woensdag 16 september 2020 is de kerkvernieuwingsbeweging Kerk2030 bovengronds gekomen, na een aantal jaren zonder er veel ruchtbaarheid aan te geven bezig te zijn geweest met het doordenken en uitproberen van een concept voor kerkvernieuwing.

Aanvankelijk was ik wat sceptisch bij het lezen van interviews in het Nederlands Dagblad en in OnderWeg. Ook het webinar met de presentatie van de beweging dat ik live volgde op die woensdag vond ik zelf nog niet erg overtuigend (qua beeld nogal steriel en geregisseerd, iets wat je met zo’n kerkvernieuwingsbeweging niet zou moeten willen uitstralen).

Geloven doe je samen

Maar toen ik het boekje dat geschreven is (digitaal) in handen kreeg was ik om: ‘Geloven doe je samen‘ (pdf).

Want het is gewoon een mooi boekje dat kan tippen aan teksten die PKN-scriba’s schrijven (bijvoorbeeld: Kerk 2025 – Waar een Woord is is een weg) en waar ik altijd wat jaloers van wordt, omdat we als GKv-kerken eigenlijk nooit op landelijk niveau dit soort goede teksten produceren, teksten die inspireren, die theologisch goed doordacht zijn en die juist vanwege hun inhoudelijkheid overtuigend een weg wijzen.

Nu is de werkgroep Kerk2030 geen officieel GKv-orgaan, maar dat mag de pret niet drukken. De werkgroep wordt gevormd door zeer kundige mensen die intens betrokken zijn bij het kerkelijke leven en ook bij een goede doordenking daarvan op theologisch niveau.

Focus op praktijken

De kracht van Kerk2030 zit wat mij betreft bij de insteek op praktijken. Daarover wil ik in het onderstaande graag wat meer zeggen. De thematiek van ‘praktijken’ houdt me al sinds ongeveer 2015 sterk bezig en ik heb er toen een aantal blogs over geschreven die ik onderaan deze blog een tweede leven geef. Maar dat doe ik pas nadat ik eerst in directere zin wat heb gezegd over wat Kerk2030 schrijft over praktijken.

Het hart van het boekje wordt gevormd door (blz. 5):

“de presentatie van zes geloofspraktijken waarin kerkzijn naar voren komt. Het zijn praktijken, dus je kunt ermee aan de slag. Misschien is het vreemd om datgene wat je in de kerk gewend bent om te doen praktijken te noemen. Toch doen we dat zo, om de velden aan te geven waarop kerkzijn zich beweegt.”

De eerste liefde

Heel mooi vind ik dat de insteek van de presentatie van de zes geloofspraktijken een kern heeft, een uitgangspunt: ‘de eerste liefde’ (blz. 15 en 19). Een mooi citaat over die eerste liefde:

De eerste liefde, daar gaat het om. Het is niet erg dat liefde verandert, maar die eerste liefde heeft toch iets bijzonders, iets krachtigs en vurigs. Sterk als de dood. Iedereen kan die eerste liefde wel terugvoelen, al is het jaren geleden. Je doet dat natuurlijk niet vaak: wat heb je aan kalverliefde in de serieuze uitdagingen van het leven? Toch kan het krachtig zijn om op latere momenten in je leven terug te keren naar die eerste liefde.

Hier klopt het hart van God, van Jezus, van de Geest, van de kerk: in de (eerste) liefde.

Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde.

(1 Johannes 4:7-8)

Is het boekje daar misschien toch niet iets te kort over op die ene pagina waar dit wordt uitgelegd? Want op die ene pagina zijn de meeste zinnen toch weer gewijd aan ‘kerken die veranderen’ en alles wat dat met zich meebrengt.

Een kerk die doet

En dan volgt een eerste uitleg rond het woord ‘praktijken’. Enkele citaten die daar iets van laten zien (blz. 19, ik zet zelf wat woorden vet):

  • “We letten er nu op wat de gemeente met elkaar doet, als kerk. De stappen die we hier zetten brengen ons op zes velden. We noemen ze praktijken. Dat geeft aan dat de gemeente altijd samen iets doet.”
  • “Het geloof is geen theorie, het is een geleefde praktijk. Het is net zo goed iets van onze handen als van ons hoofd.”
  • “Het oefenen van het geloof is een grote steun voor gelovigen onderweg. Zo zijn er allerlei goede praktijken, stijlen en rituelen ontstaan.”
  • “De kerk is bedoeld als motor voor het onderhouden van christelijke geloofspraktijken. Ze helpen ons dicht bij God te blijven. Wij moedigen je in dit boekje graag aan om zo tegen de kerk aan te kijken: als een plek waar je geloofsleven de noodzakelijke oefening krijgt.”
  • “Laten we de kerk als oefenplaats zien, als trainingsveld. We kunnen daarop met elkaar gaan trainen.”
  • “De kerk is de oefenplaats van het Koninkrijk van God. Daar kunnen we leren te leven vanuit het geheim van het Koninkrijk van God. Daar wordt ons geloof, onze hoop en onze liefde gesterkt en verder ontwikkeld.”
  • “We zien zes trainingsvelden voor ons. Op al die velden kun je oefenen en ontstaan vanzelf geloofspraktijken.”
  • “Het zijn allemaal praktijken van een christelijk leven en er zijn er nog meer. Het zijn stappen die je kunt zetten, overdenkingen en handelingen. Die kun je samen vormgeven, als leden van een gemeente. Dat is precies ook de bedoeling.”

In dit kader worden ook de zes praktijken of velden geïntroduceerd:

  1. Christus zien en God ontmoeten
  2. Vertrouwen op de kracht van genade
  3. Toegewijd en heilig leven
  4. Leven uit liefde, gericht op gemeenschap
  5. Nieuwe levensstijl, als goede rentmeester
  6. Dienstbaarheid en leiderschap

Juist omdat ik zo’n liefhebber ben van aandacht voor praktijken als focus voor kerk zijn, plaats ik hier enkele wat meer kritische kanttekeningen bij. Want ik mis nog wat scherpte.

Zes praktijkvelden

Er wordt vrij consistent gesproken over ‘zes praktijken’, terwijl wat daar geformuleerd staat strikt genomen geen praktijken zijn (lees daar meer over onderaan deze blog) maar ‘aandachtsvelden’, ‘trainingsvelden’ (in termen van Kerk2030) of ‘dienstgroepen’ (in termen van de gemeenteopbouw uit de jaren 90 van de vorige eeuw). Er worden in elk geval zes gebieden aangeduid waarbinnen heel veel praktijken een plek kunnen krijgen.

Ik vind het echt jammer dat het begrip ‘praktijken’ wordt gebruikt voor deze zes aandachtsvelden, omdat er nu van meet af aan onhelderheid in het concept Kerk2030 zit als het gaat om de betekenis van het begrip ‘praktijken’.

Mijn suggestie zou zijn om deze zes gebieden consequent te benoemen met het begrip ‘praktijkvelden’ (zo blijft het woord ‘praktijk’ hier toch behouden) en er alle nadruk op te leggen dat het gaat om zes zinvol te onderscheiden aandachtsgebieden in het leven van de kerkelijke gemeente, gebieden waar we invulling aangeven door tal van praktijken die we samen of alleen doen. ‘Echte’ praktijken zijn concreter en minder veelomvattend dan wat nu benoemd wordt in de zes vakjes van de gepresenteerde cirkel.

Van project naar traject

Nu, daar is zeker nog wel meer over te zeggen. Maar ik rond dit gedeelte van deze blog af door nog twee kritische vragen te stellen. Ik doe dat vanuit de waardering die ik heb voor Kerk2030 als inspirerend traject (het is voor de initiatiefnemers nadrukkelijk geen ‘project’ – het projectmatige zou wellicht toch weer erg ‘vrijgemaakt’ zijn en daarmee de indruk van activisme wekken) en ik de hoop dat veel kerken er, elk op hun eigen manier (want er zit veel ruimte in), mee aan de slag kunnen gaan. Dat kan een mooie beweging worden!

1 Hoed u voor de praatsessies

Ondanks de focus op praktijken, bekruipt me bij het op me in laten werken van alles wat Kerk2030 te bieden heeft toch het gevoel dat dit allemaal gaat leiden tot eindeloze praatsessies óver de kerk (blz. 33):

Het zou mooi zijn als je dit boekje bespreekt met elkaar, in de verbanden en kringen van je kerk. Besteed aandacht aan ieder veld en dus iedere praktijk afzonderlijk en vraag je af hoe dat nu vorm krijgt of nog beter vorm kan krijgen. Dat gesprek kan in kringen of gemeentebreed worden gevoerd.

Praten, bezinnen, delen, brainstormen – ‘we’ als zijn er als GKv-ers zó goed in. Het lijkt wel de enige vorm die we kennen in het kerkelijke leven, het is zowat de enige ‘praktijk’ waarmee we vertrouwd zijn: een thema kiezen en daarover gaan praten, praten, praten.

Daarom: ‘Hoed u voor de praatsessies’.

2 Meer ruimte voor de traditie

Het aanbod van Kerk2030 is als het om praktijken gaat heel open. Elke kerk mag er zelf op eigen manier mee bezig gaan. Praktijken ontstaan en worden bedacht op lokaal niveau. Dat heeft iets moois, maar er ontbreekt naar mijn idee ook iets.

De kerk van alle tijden en plaatsen heeft al een rijk aanbod van beproefde, doordachte, beoefende en bewezen (spirituele) praktijken. Volgens mij is het nodig om die traditionele praktijken proactief aan te bieden aan de kerken en ze niet zelf zelf van allerlei mooie dingen te laten ontdekken.

De kerken voor wie dit traject bedoeld is, hebben heel veel laten liggen als het gaat om concrete en doelgerichte spirituele vorming door middel van geloofspraktijken en doen er goed aan om te ontdekken wat de lange traditie van de christelijke kerk (die niet in 1944 en ook niet in 1517 maar al veel eerder is begonnen) in huis heeft aan praktijken.

Ik denk aan bijvoorbeeld de geestelijke disciplines of christelijke geloofspraktijken die worden besproken in boeken als van Richard Foster (Het feest van de navolging) en Dorothy Bass/Craig Dykstra (Practicing Our Faith. A Way of Life for a Searching People).

Spiritueel tekort

We moeten de inhoudelijke en spirituele creativiteit van de lokale gemeente van vandaag op dit gebied beslist niet overschatten. Helemaal kerken waar de laatste jaren regelmatig is gewaarschuwd voor een ‘spiritueel tekort’ moeten niet vertrouwen op hun eigen ideeën en brainstormsessies, maar zich vanuit een leerbare houding wenden tot de brede christelijk traditie als vindplaats van christelijke geloofspraktijken die zich door de tijd heen bewezen hebben.


Hieronder volgen in een licht aangepaste versie de drie blogs die ik in 2015 schreef over het thema van de praktijken.

Geloven in praktijken (1)

Dit is de eerste van een drietal blogs waarin ik zal schrijven over ‘praktijken’. Dit concept wordt in een stroming van de praktische theologie gehanteerd om op een nieuwe manier tegen kerk- en christen-zijn aan te kijken. Het is een relatief nieuw concept (overgenomen uit de theorie over ‘practices’ van Alisdair MacIntyre in zijn After Virtue), hoewel datgene wat ermee wordt aangeduid al zo oud is als de wereld.

Van ‘Geloven in de praktijk’ naar ‘Geloven in praktijken’

De titel van deze blogs wil ik kort toelichten. ‘Geloven in praktijken’. Dat is niet een uitdrukking die vaak wordt gebruikt. Als ik googel op ‘Geloven in praktijken’ levert dat drie treffers op waar de zinswending op wat toevallige wijze wordt gebruikt.

Googelen op ‘Geloven in de praktijk’ levert ruim 80.000 resultaten op. Daarmee kan ik gelijk duidelijk maken dat het me in ‘Geloven in praktijken’ ook echt om iets anders gaat dan wat we gewoonlijk onder ‘Geloven in de praktijk’ verstaan.

In de praktijk

Met ‘Geloven in de praktijk’ bedoelen we doorgaans dat we als christenen geloven (in de zin van geloofsovertuigingen hebben) en dat we ons geloof graag in de praktijk willen toepassen. Hier wordt dus een bepaalde scheiding tussen geloven enerzijds en de praktijk anderzijds voorondersteld. Nog weer iets anders gezegd: ‘geloven in de praktijk’ suggereert dat er eerst geloof is (in de vorm van geloofsovertuigingen) en dat er vervolgens toepassing van dat geloof (die geloofsovertuigingen) in de praktijk plaats vindt. De weg die gegaan wordt is een cognitieve: we beginnen met het aanbrengen van overtuigingen en gaan er vanuit dat die in de praktijk dan wel vorm zullen krijgen.

De uitdrukking ‘Geloven in praktijken’ brengt nu juist tot uitdrukking dat praktijken (dingen die we doen) een onmisbare waarde hebben als het gaat om de vorming van ons geloof (als geloofsovertuigingen en geloofsvertrouwen). Sterker nog: de praktijken vormen het uitgangspunt voor de vorming van geloof.

Van geloofsovertuigingen naar geloofspraktijken

Nog weer iets anders gezegd, is de overtuiging die achter ‘Geloven in praktijken’ ligt deze:

Geloven is niet allereerst het hebben van een set christelijke geloofsovertuigingen maar geloven is allereerst het participeren in een set christelijke praktijken.

Ik heb op dit punt veel geleerd van James K.A. Smith, Desiring the Kingdom. Worship, Worldview, and Cultural Formation.

Een definitie van praktijken

Wat zijn ‘praktijken’? Ik begin met het doorgeven van de veelgebruikte definitie van Dorothy Bass en Craig Dykstra uit hun boek ‘Practicing Our Faith. A Way of Life for a Searching People‘. Eerst even in het Engels, maar daarna zal ik verder alles in het Nederlands doen (blz. 204):

‘Christian practices are things Christian people do together over time to adress fundamental human needs and conditions of humanity and all creation in the light of and in response to God’s active presence for the life of the world in Jesus Christ’.

In vertaling:

Christelijke praktijken zijn dingen die christenen in de loop van de tijd samen doen om zich te richten op fundamentele behoeften en condities van het mens zijn en van heel de schepping, in het licht van en in reactie op Gods actieve tegenwoordigheid met het oog op het leven in Jezus Christus in deze wereld.

Voorbeelden van christelijke praktijken zijn: bidden, gastvrijheid, dopen, zingen, geestelijke onderscheiding, avondmaal vieren, vasten, lectio divina, eenvoudig leven, zorgen voor de schepping, vergeving geven enzovoort.

Toelichting

Bass en Dykstra lichten hun definitie van christelijke praktijken toe in 12 stappen (Practicing Our Faith, blz. 204-205).

Een christelijke praktijk

  1. richt zich op fundamentele behoeften en condities van mensen en van de schepping door middel van praktische menselijke daden;
  2. schakelt ons in in Gods actieve aanwezigheid in de wereld en weerspiegelt, door de manier waarop wij in de praktijk participeren, Gods genade en liefde;
  3. is belangrijk in de Bijbel en in de bediening van Jezus;
  4. is historisch: ze is voortgekomen uit de levende tradities van het christelijke geloof en heeft in het verleden talloze vormen aangenomen in allerlei culturen wereldwijd; ze is in staat zich aan te passen om zo de levende traditie in nieuwe tijden en op nieuwe plaatsen gestalte te geven;
  5. belichaamt wat we geloven en versterkt onze geloofsovertuigingen door ze te verbinden met de dagelijkse levenservaring;
  6. is sociaal: elke praktijk moet van anderen worden geleerd en behoort tot de gemeenschap als geheel, ook als mensen zich soms individueel bezighouden met de betreffende praktijk;
  7. wordt gekenmerkt door ideeën-rijkdom: elke praktijk berust op eigen karakteristieke wijsheid, kennis, deugden en vaardigheden; het goed beoefenen van de betreffende praktijk door de tijd heen voedt de wijsheid, kennis, deugden en vaardigheden die deel uitmaken van deze praktijk;
  8. wordt geoefend binnen de kerkgemeenschap, in de publieke ruimte, tijdens het dagelijkse werk en thuis;
  9. kan misvormd raken en staat daarom altijd open voor kritiek en vernieuwing;
  10. krijgt een geconcentreerde vorm in de liturgie;
  11. is een geschenk waarop wij met dankbaarheid reageren, is niet een taak die we slechts uit plichtsbesef doen;
  12. maakt, samen met andere praktijken, deel uit van een manier van leven die participeert in het actieve Leven van God ten behoeve van de schepping, onze naasten en onszelf.

Geloven in praktijken (2)

Geloven is niet een set overtuigingen maar een set praktijken. Dat is de basisgedachte achter deze blogs die ik schrijf over ‘geloven in praktijken’. Na de omschrijving van praktijken die ik hierboven al doorgaf, nu een benadering met wat andere accenten.

Vijf kenmerken

James Nieman geeft in een (Engelstalig) artikel over de vraag waarom het concept van praktijken van belang is, dat praktijken vijf kenmerken hebben. Praktijken zijn: gemeenschappelijke (1), betekenisvolle (2), strategische (3) en doelgerichte (4) activiteiten (5).

Een korte toelichting. In je achterhoofd kun je als voorbeeldpraktijken denken aan: samen eten, gastvrijheid betonen of lectio divina.

1 Activiteiten

In praktijken doe je iets, je bent actief. Een praktijk bestaat altijd uit een cluster van activiteiten die samen betekenisvol zijn en het eigenen van een praktijk kleur geven.

2 Gemeenschappelijk

Praktijken dragen altijd gezamenlijkheid in zich. Dan betekent niet per se dat je altijd als groep iets doet. Maar praktijken hebben wel altijd een traditie omdat veel mensen er in geparticipeerd hebben en dat nog steeds doen.

3 Betekenisvol

Praktijken zijn vol van betekenis. Niet op de manier van: er zijn eerst inzichten en overtuigingen en ideeën die vervolgens in praktijk moeten worden gebracht. Nee, praktijken genereren zelf betekenis.

4 Strategisch

Aan elk praktijk ligt een plan ten grondslag om bepaalde zaken op een bepaalde manier aan te pakken. Er worden bepaalde ‘tactieken’ toegepast. Op dit strategische niveau kun je door oefening in de loop van de tijd ook beter worden in het praktiseren van de betreffende praktijk.

5 Doelgericht

In zeker zin is dit de belangrijkste kwaliteit van een praktijk: ze hebben een doelgerichtheid in zich, ze hebben een telos, zijn teleologisch gericht. Praktijken doe je om iets te bereiken, ergens in te groeien. Het vormen van karakter en het ontwikkelen van deugden vormen de kern van deze doelgerichtheid.

In de volgende blogpost ga ik verder over die doelgerichtheid door iets meer te zeggen over karaktervorming en deugden.

Geloven in praktijken (3)

Niet aan een set geloofsovertuigingen die ze hebben maar aan een set geloofspraktijken waarin ze participeren herken je christenen. Dat is een centrale gedachte die ik hier aan het doordenken ben. Een volgende stap in dat nadenken is de vraag naar het doel of de bedoeling (of: telos) van die praktijken. En dan moet het gaan over karaktervorming en het ontwikkelen van deugden.

Karaktervorming

Want het gaat in het beoefenen van praktijken niet om een soort moralistische gehoorzaamheid (je moet nu eenmaal regelmatig Bijbellezen, bidden of je hart openstellen voor iemand anders). Het gaat om het verlangen om te groeien in et goede leven. Dat goede leven is voorgedaan door Jezus. Of iets anders gezegd: Jezus is ons op de weg van het goede leven voorgegaan.  Nu gaat het er niet om dat wij hem navolgen in de zin van hem na-doen. Het gaat erom dat we groeien, met een Paulinische uitdrukking, in Christusgelijkvormigheid.

Deugden

Daarover nadenken brengt ons bij aandacht voor deugden. Deugden zijn (met een omschrijving van Pieter Vos in ‘Oefenen in discipelschap. De gemeente als groeiplaats van het goede leven’, blz. 28):

karaktereigenschappen of houdingen van waaruit je handelt en reageert, zoals moed, vriendelijkheid, geduld, trouw, wijsheid, vergevingsgezindheid, gastvrijheid.

Christelijke deugden hebben een eigen kleur. Ze houden verband met een eigen levenspraktijk, in overeenstemming met het evangelie en in navolging van Christus.

Bij het beoefenen van praktijken is het dus altijd belangrijk om de vraag te stellen: welke deugd, welke houding, welke karaktereigenschap hoop ik dat meer tot boei komt door het participeren in deze praktijk? En daarbij is een ‘praktijk’ (blz. 37):

een vorm van samenwerken met een bepaald doel dat door die praktijk gerealiseerd wordt. Een praktijk vindt plaats in een gemeenschap, met een zekere traditie. Door mee te doen aan een praktijk ontwikkel en verbeter je samen de deugden die nodig zijn om zo’n praktijk vorm te geven.

Deugdenproject

Als het gaat om deugden, ontdekte ik laatst dat die zich best in een grote populariteit mogen verheugen. Er bestaat zelf een ‘Deugdenproject’. Op de website www.deugdenproject.nl kun je als intro het volgende lezen:

Deugden zijn hip! Het Deugdenproject is een internationaal initiatief om deugden, goede eigenschappen, zoals eerlijkheid, geduld en respect, in het dagelijkse leven toe te passen. Kennelijk zijn deugden weer modern, of misschien wel hipper dan ooit, want je komt ze overal tegen: in kranten en tijdschriften, in tv programma’s en in uitspraken van mensen.

Doe me een deugd! Zo zou je misschien het hedendaagse levensgevoel kunnen samenvatten. Want we willen allemaal graag deugden. En laat de kerk nu een oefenplek zijn (of worden) waar mensen kunnen participeren in praktijken die deugden bevorderen!


Om tenslotte van deze blog helemaal een echte ‘longread’ te maken, volgt nu nog het hoofdstukje dat ik schreef over het onderwerp deugden in mijn boek ‘Verlangen naar het goede leven. Samen lezen, samen delen, samen eten.

Doe me een deugd

Wie meedoet in christelijke praktijken, zal merken dat zijn of haar karakter daardoor wordt gevormd. In de theorie over praktijken is dat een belangrijk aandachtspunt. Praktijken die we vaak uitvoeren, hebben effect op wie we zijn en hoe we handelen. Het participeren in praktijken draagt bij aan karaktervorming omdat we tegelijk oefenen in christelijke deugden.

Want daar gaat het om in karaktervorming: dat deugden op gaan bloeien als vrucht van de Geest. Deugden zijn goede houdingen die deel zijn van je persoon. Die houdingen kun je oefenen en praktijken zoals samen lezen, delen en eten spelen daarin een belangrijke rol. Samen eten bijvoorbeeld kun je bewust zo vormgeven dat het een oefening in gastvrijheid is, of in matigheid of juist in uitbundigheid en vreugde.

Ook in de samenleving is er veel aandacht voor deugden. Dat wordt duidelijk uit bijvoorbeeld het deugdenproject waarmee ik via internet kennis maakte (deugdenproject.nl). Daar vond ik de volgende uitleg:

‘Wat zijn deugden? Liefde. Rechtvaardigheid. Moed. Dienstbaarheid. Deugden zijn universele waarden: iedereen hecht er waarde aan, ongeacht leeftijd, afkomst, etniciteit, religie of cultuur. Deugden zijn de bouwstenen van ons karakter, het zijn onze innerlijke drijfveren, ze vormen samen ons morele kompas. ‘Virtue’ (deugd) betekent letterlijk ‘kracht’. Deugden groeien uit tot innerlijke kwaliteiten wanneer we ze gebruiken. Ze komen tot bloei wanneer we ze effectief inzetten. En wanneer ze door anderen opgemerkt en gewaardeerd worden! We hebben allemaal kerndeugden waar we op kunnen vertrouwen, eigenschappen die we dagelijks inzetten – vaak als vanzelf – zonder dat we ons ervan bewust zijn. We hebben ook deugden, die we niet zo vanzelfsprekend inzetten, die voor ons een uitdaging vormen. Onze levens bieden de ideale mogelijkheid om deugden te ontwikkelen. Je zou kunnen zeggen: ‘Het leven is leren, de deugden zijn de lessen.’ Overal waar mensen – jong en ouder – bewust aandacht besteden aan deugden, verspreiden deze deugden zich als een olievlek: zelfvertrouwen, betrokkenheid, verdraagzaamheid…’

Ik vind het inspirerend dat we in de kerk op dit punt dus ook kunnen aansluiten bij iets waar ook in de brede samenleving veel aandacht voor is en waar behoefte aan is. Want naar het goede leven, waar het in dit boek over gaat, zijn niet alleen christenen op zoek. Ieder mens verlang naar het goede leven. En dat goede leven krijg je onder meer in beeld door te kijken via de bril van de deugden. Hieronder som ik er een aantal op die ik vond op die site die gewijd is aan het deugdenproject.

Betrokkenheid | Betrouwbaarheid | Verantwoordelijkheid | Waarheidsliefde | Integriteit | Trouw | Oprechtheid | Verwondering | Enthousiasme | Opgewektheid | Vreugde | Openheid | Vastberadenheid | Assertiviteit | Waardering | Eerbied

Uiteraard heb ik er vervolgens wel behoefte aan om hier nog een bijbelse verdieping aan te brengen. Waar het deugdenproject vooral inzet op ‘het beste uit jezelf halen’, ontdek ik dat het in het christelijk geloof essentieel is dat God het beste van zichzelf in ons wil leggen. Dat heet in de Bijbel ‘vrucht van de Geest’: door het werk van de heilige Geest van Jezus in ons worden de karaktereigenschappen weer zichtbaar die horen bij mensen die geschapen zijn naar het beeld van God. De bekendste opsomming van deugden in de Bijbel is Galaten 5 vers 22 en 23:

Liefde | Vreugde | Vrede | Geduld | Vriendelijkheid | Goedheid | Geloof | Zachtmoedigheid | Zelfbeheersing

Wat ik vervolgens altijd weer boeiend vind, is dat Paulus na het opsommen van deze negen deugden heel kort zegt: ‘Er is geen wet die daar iets tegen heeft’! Dat raakt direct aan nog een ander aspect dat van belang is rond de thematiek van het goede leven en de deugden. In de christelijke traditie wordt namelijk onderscheiden tussen een gebodsethiek en een deugdethiek. Beide houden zich bezig met de vraag hoe het goede leven zoals God dat heeft bedoeld eruit ziet. Maar ze kiezen elk een eigen invalshoek. Een gebodsethiek zet in bij Gods geboden, voorschriften en wetten en de gehoorzaamheid van de gelovigen daaraan. Daarbij spelen de Tien Geboden een centrale rol. Een deugdethiek zet in bij de vorming van het karakter van gelovigen waardoor zij eigenschappen gaan vertonen die hen in staat stellen om goed te leven.

Nu geloof ik dat je gebodsethiek en deugdethiek niet tegen elkaar uit moet spelen. Maar wel lijkt het me van groot belang om meer aandacht te geven aan die deugdethiek, speciaal om aan een belangrijke valkuil van de gebodsethiek te ontkomen: een wettische en moralistische levensstijl waar mensen elkaar beoordelen op het zich al dan niet houden aan Gods geboden. Die geboden zijn uiteraard niet verkeerd. En met de wet, helemaal zoals die is vervuld in Christus, is ook niets mis. Maar ik vind het mooi dat Paulus zegt, nadat hij de vrucht van de Geest heeft geïntroduceerd: ‘Er is geen wet die daar iets tegen heeft’. 

Deze thematiek van de deugden wil in ook nog graag vanuit een andere invalshoek belichten, namelijk die van de Christusgelijkvormigheid. Als je kennis maakt met een veelheid aan deugden, kan je ook al snel het gevoel bekruipen dat je (opnieuw) zoveel moet: je moet liefdevol, geduldig, betrouwbaar, oprecht, enthousiast, opgewekt en integer en nog veel meer zijn. Hoe mooi is het dan dat Paulus spreekt over die ene (enkelvoud) vrucht van de Geest en dat het in de ene vrucht in wezen gaat om één ding: Christusgelijkvormigheid. Het is Gods bedoeling dat zijn kinderen op aarde weer gaan lijken op zijn Zoon die op aarde was en die nu in de hemel zit aan Gods rechterhand en door de Geest bij ons is en in ons woont. 

Christusgelijkvormigheid dus. Daar gaat het om. Zoals verwoord staat in 2 Korintiërs 3:18: ‘Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.’