delenLarry Crabb schildert in zijn boek ‘Bemoedigen doet goed’ het visioen van een bemoedigende geloofsgemeenschap. Daarbij is heel helpend dat hij deze bemoedigende gemeente afgrenst van twee andere opties. Optie 1 is die van de oppervlakte-gemeenschap. Optie 2 is die van de gemeenschap waar volledige openheid heerst. In deze blogpost geef ik daar iets over door.

Het zal duidelijk zijn dat open en kwetsbaar zijn onmisbaar zijn voor echte communicatie van hart tot hart en dus voor bemoediging. Onze omhulsels moeten we afleggen. Maar dat betekent weer niet dat onze openheid geen grenzen kent.

Crabb spreekt in dit verband over het gevaar van volledige zelf-expressie: dat je zonder meer vertelt wat er in je leeft zonder rekening te houden met de context waarin je bent en zonder na te denken over de vraag of dat wat je zegt ook dienstbaar is aan de ander.

We moeten, aldus Crabb, oppassen voor het zo populaire ‘delen’: dat je zonder belemmeringen aan de ander laat zien wat er binnen in je is. Crabb spreekt zelfs over de ‘ziekte van het delen’ (blz. 42). Want er zijn twee dingen die mis kunnen gaan: 1. we delen vooral omdat we geaccepteerd willen worden door anderen; dat maakt ons dus afhankelijk van de ander, waar we onze afhankelijkheid juist alleen bij God moeten zoeken. Delen is dan: emotionele eerlijkheid wordt beloond; 2. we delen vooral onszelf, alsof er in Hebreeën 10:24-25 staat: ‘wij moeten in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar aansporen om eerlijk voor de dag te komen met onze diepste gevoelens’;  dan is er sprake van een ‘delen’ waarbij het kader van de toewijding aan God en aan het welzijn van de ander ontbreekt.

Delen is heel belangrijk. Maar dan moet het wel gaan om een delen dat staat in het kader van het delen van Christus, het delen in het heil van God. Nog sterker gezegd (blz. 44):

Het christen-leven is een gedeeld leven. We nemen allen deel aan de goddelijke natuur. In ieder van ons woont dezelfde Geest.

Dit is waar Crabb voor waarschuwt (blz. 44):

We hebben het begrip delen afgezwakt. In plaats van Christus te tonen aan elkaar, maken we ervan: onszelf blootgeven.

Volledig open zijn is dus niet de ‘oplossing’ voor een oppervlakte-gemeenschap. Zeker, we kunnen en mogen volledig en onvoorwaardelijk open zijn tegenover God en hem alles zeggen en belijden wat we op ons hart hebben. Maar als christenen tegenover elkaar deze volledige openheid betrachten is dat vaak ingegeven door een verlangen dat de ander ons zal aanvaarden zoals we zijn zonder dat we oog hebben voor de toewijding en de dienstbaarheid aan de ander die het evangelie ook altijd van ons vraagt.

Nog twee citaten die de positieve bedoeling van Crabb duidelijk maken (blz. 46):

We moeten inzien dat de tijd die we met elkaar doorbrengen op de en of andere manier onze relatie met Christus kan verrijken.

De basis van onze gemeenschap is het leven dat we delen in Christus. Relaties zijn gelegenheden om Christus meer te leren waarderen. Hoe? Doordat we Hem weerspiegeld zien in de ander; doordat we elkaar bejegenen als beelddragers van God; en doordat we elkaar aanvaarden in Christus ondanks onze tekortkomingen.

En tenslotte een uitspraak van C.S. Lewis waarin opnieuw duidelijk wordt dat openheid, kwetsbaarheid en delen geen doel in zichzelf mogen zijn: De christelijke gemeenschap is het laboratorium om Gód beter te leren kennen.