Het is hier op de weblog  een paar weken wat stil geweest rond de doop. Eind vorig jaar heb ik daar een hele serie blogposts aan gewijd. Je kunt ze via deze link allemaal achter elkaar lezen: alle posts over de doop. Intussen heb ik in de Fonteinkerk zes keer gepreekt over de doop. Via deze links vind je de preeksamenvattingen c.q. Bronwaters (de preken 2, 4, 5 en 6 hield ik in diensten waarin kinderen van de gemeente werden gedoopt):

1. Het water is diep. De doop van Johannes (Marcus 1:4-8)
2. In jou vind ik vreugde! De doop van Jezus (Marcus 1:9-11)
3. De zonde is verleden tijd. Avondmaal als doopvernieuwing (Romeinen 6:1-6)
4. Genieten van genade! Gods goedheid in de doop (Titus 2:11 en 3:5-6)
5. God is liefde! De doop als Gods liefdesverklaring (1 Johannes 4:10&18)
6. Een goed begin. De doop als deur naar het goede leven (Psalm 34:9a en 1 Petrus 2:3)

De reacties die ik in de gemeente op de preken hoorde waren heel positief: ‘het klinkt nieuw en goed, verrassend en verdiepend in onze oren, je zet nieuwe accenten en dat is verrijkend!’ Tegelijk klonk ook de terechte vraag: ‘het klinkt allemaal nogal anders, waar blijft eigenlijk het ‘oude’ verhaal?’ Dat is het verhaal zoals dat in de prediking en geloofsbeleving van gereformeerd-vrijgemaakte christenen decennialang zijn eigen accenten kende: verbond, Gods beloften, belofte en eis, de kinderen horen erbij, doop in plaats van besnijdenis, doop als afwassing van onze zonden enzovoort.

Komende zondag ga ik de uitdaging aan om in de preek ook weer taal te vinden voor de thematiek van ‘verbond en doop’. Dat ervaar ik ook echt als een uitdaging, omdat ik merk hoe weinig er in de gemeente nog een gedeeld referentiekader is als het gaat om deze thematiek. Ik zie hier drie categorieën gemeenteleden:

1) de generatie van grofweg 45plus is groot geworden bij een spiritualiteit die werd gekleurd door ‘verbond, doop en kerk’ en zij hebben daarvan genoten en missen deze ‘taal van thuis’ nogal in de prediking zoals die vandaag in de gereformeerd-vrijgemaakte kerken klinkt;

2) er is ook een generatie, ergens tussen de 35 en 55 die moeite heeft met deze taal omdat die taal hen herinnert aan een periode in het kerkelijk leven die zij ervaren hebben als nogal massief, objectivistisch, onpersoonlijk en met weinig ruimte voor het individu en voor de geloofservaring (ik zal eerlijk bekennen dat ik zelf bij die generatie hoor);

3) er is een nieuwe generatie opgegroeid (in elk geval 30min) en er zijn veel nieuwe mensen in de kerk zonder gereformeerd-vrijgemaakte wortels die de taal van ‘verbond, doop en kerk’ helemaal niet kennen: ze hebben er niets mee en ze hebben er overigens ook niets tegen, want je kunt niet tegen iets zijn wat je niet kent.

Op die laatste categorie doelt mijn GKV-collega Jan-Willem Roosenbrand in een artikel in De Reformatie van afgelopen week, een verhaal dat integraal op de website van De Reformatie is te vinden: Waarnemingen rond de doop (het Nederlands Dagblad vroeg er ook aandacht voor: Pleidooi in te binden bij verdediging kinderdoop). Veel van wat hij schrijft is voor mij zeer herkenbaar en het lijkt me dat het gesprek dat Roosenbrand met dit artikel wil openen zeker gevoerd moet worden. Voor dit moment sluit ik me even aan bij dit citaat:

Bij de uitleg van de betekenis van de doop is het idee van het verbond beheersend, met de beloften van Vader, Zoon en Heilige Geest en de eis van nieuwe gehoorzaamheid. Daarbinnen komt wel de eenheid met Christus in zijn dood en opstanding ter sprake, als onderdeel van de belofte van de Zoon, maar niet als uitleg van de beeldtaal van de doop. (…) … terwijl het vanuit het Nieuwe Testament wel meer voor de hand ligt om de doop vanuit de eenheid met Christus dan vanuit het verbond ter sprake te brengen.

Ik denk dat daar de vinger gelegd wordt bij mijn eigen moeite om de verbondstaal te hanteren die zo lang klonk in de gereformeerd-vrijgemaakte kerken, die nu in de prediking nog maar weinig tot klinken komt maar die nog wel structuurbepalend is voor het onderwijs rond de doop (zoals dat in de doopformulieren staat). Ik wil heel graag een zeer directe link maken tussen de doop en het kennen van Christus, terwijl naar mijn idee de thematiek van het verbond me als het ware dwingt om een omweg te nemen (hoezeer ik uiteraard ook weet dat Christus alles te maken heeft met het nieuwe verbond, ja dat nieuwe verbond in eigen Persoon is).

Is het bovenstaande nu niet allemaal aan woordspel, een taalspel voor ingewijden, een discussie van dominees die nieuwe wegen zoeken vanuit een oude traditie? Dat laatste is wat mij betreft wel waar: ik zoek nieuwe wegen, nieuwe taal, nieuwe woorden om voor een nieuwe generatie gelovigen die hun wortels deels in de gereformeerd-vrijgemaakte kerk hebben (maar die wortels heel vaak al lang niet meer kennen, alle degelijke catechese en alle herhaalde voorlezingen van het doopformulier ten spijt) maar deels ook niet omdat mijn ervaring is dat er steeds meer nieuwe kerkleden zijn die óf geen kerkelijke opvoeding hebben gehad of overkomen uit andere (protestantse en evangelische) kerken – ik zoek nieuwe taal om de diepe realiteit van de doop opnieuw verstaanbaar en ervaarbaar te maken.

Komende zondag hoop ik in elk geval een poging te doen om de verbondstaal (eenvoudigweg omdat Gods verbond nu eenmaal ook een onmisbaar element is in het Bijbelse onderwijs over de doop, alhoewel niet het allesbeheersende) ook weer te integreren in het onderwijs over de doop. In de volgende blogpost schrijf ik daar meer over onder het thema ‘Gods radicale commitment’.