bijbellezenIn bemoediging klopt het hart van pastoraal gemeente-zijn. Dat is een overtuiging die ik opdoe bij het lezen van Larry Crabb’s boek ‘Bemoedigen doet goed’. In zijn boek wijst Crabb eerst twee doodlopende wegen aan: de gemeente als oppervlakte-gemeenschap en de gemeente als gemeenschap waar volkomen openheid heerst. Hoe dan wel. Crabb kiest voor een gemeente van volledige toewijding.

Zo gemeente zijn begint niet bij het aanleren van wat luistervaardigehden en gesprekstechnieken. Die kunnen wel behulpzaam zijn, maar nooit de essentie vormen. Er is veel meer nodig om mee te beginnen: “We hebben een bovennatuurlijke liefde nodig. Maar we missen vaak de weg naar die liefde” (blz. 49). En daardoor blijven we vaak van omhulsel naar omhulsel communiceren. De afstand blijft (blz. 51):

De afweermechanismen waarmee we woorden van afwijzing van ons af houden, voorkomen ook dat woorden van bemoediging ons hart bereiken.

Crabb neemt zijn uitgangspunt in een uitspraak van Paulus (Efeziërs 4:29): “Laat geen vuile taal over uw lippen komen, maar alleen goede en waar nodig opbouwende woorden, die goeddoen aan wie ze hoort.” Crabb schrijft (blz. 51):

Voor zover ik Paulus begrijp, verlangt hij van ons niet minder dan dat letterlijk elk woord dat we spreken, afgestemd is op het opbouwen van de ander. (…) De oplossing die Paulus aanreikt, is niet dat we al onze schaamte afwerpen en onszelf volledig bloot geven. Nee, hij leert ons dat we de angsten, afweermechanismen en de behoeften van anderen begrijpen. Hij leert ons dat we ons moeten toewijden, niet aan het delen van onszelf, maar aan het delen van de Heer door het ingaan op de behoeften van anderen. (…) Paulus’oplossing houdt in dat we een zeer bepaalde motivatie ontwikkelen, dat we controle uitoefenen over het doel van onze woorden. Hij vertelt ons niet wat we moeten zeggen, hij zegt ons alleen wat onze motivatie moet zijn.

Niet onszelf delen, maar de Heer delen. Daar ligt de kern van bemoediging. En de motivatie is dus absolute prioriteit. Dat vraagt om zelfonderzoek. Als je wilt bemoedigen, als je een bemoediger wilt zijn, ben je niet iemand die veel praat, maar iemand die veel luistert, allereerst naar God en naar wat er zich in je eigen hart afspeelt (blz. 52-53):

God kent ons door en door. We moeten ons door Hem laten kennen en ons bewust kwetsbaar opstellen tegenover de heilige God. Een absolute voorwaarde voor het onderkennen en rechtzetten van onze motieven, is dat we regelmatig stille tijd houden; momenten waarop we niet gehaast zijn, ons afstemmen op de Heer en ons laten leiden door de Geest die tot ons spreekt door de Schrift. (…)

Er is maar één oplossing voor het probleem van de oppervlakte-gemeenschap: volledige toewijding aan het doel instrument van God te zijn in het leven van anderen. Door zelfonderzoek dat gebaseerd op de  bijbel en waarin we ons laten leiden door de Geest, zullen we in staat zijn te onderkennen of onze woorden worden ingegeven door zelfzucht dan wel door dienstbaarheid.